Leuk waterhoofd

Nu iedereen weer voorgenomen heeft minder te eten leek het ons een mooi moment om het over eten te hebben. En over Sylvia. Over een etende Sylvia. Het film- en TV-oeuvre van Sylvia bekijkend valt het na een tijdje op, dat men het wel heel vaak leuk vond om haar etend en snoepend te vertonen. Blijkbaar moest iemand die sinds jaar en dag onder het toeziend oog van de natie aankwam en afviel wel een smulpaap zijn. Maar was dat wel zo? Zelf zegt ze dat haar molligheid de kop opstak toen ze na haar tijd als acrobate – topsport in feite – niet goed afgetraind had. Hoewel iedereen zei dat die paar extra ponden haar goed stonden dacht ze er zelf anders over: “het is hetzelfde als tegen een kind met een waterhoofd zeggen: wat heb jij een leuk waterhoofd!”

In het boek Rommelpotterij Of Op Hoop Van Zegen (1971), een combinatie van recepten en toneelanekdotes, doet Henk Molenberg – toch één van Sylvia’s beste vrienden – hier vrolijk aan mee:

“Dit wordt een toetje opgedragen aan Sylvia de Leur, net zo’n heerlijke, sappige, geestige lieverd als de mooie Aal uit Bredero’s stuk Moortje. Sylvia heeft mij zo vaak verleid, maar als ze dit leest zal ze zeggen “Nietwaar, jij mij!” Krijgt u nu geen ondeugende gedachtes (Nee hoor Henk), het verleiden vond enkel plaats op ’t gebied van eten, snoepen of zegt u maar verslinden.”

Als hij het zegt zal er wel een kern van waarheid in zitten zullen we maar zeggen. Maar! Één keer kwam het voor dat Sylvia de media te slim af was. In 1985 speelde ze mee in de Willem Ruis Show, een all-star spektakel met Egyptisch thema. Heel voorspelbaar hadden ze haar gecast als voorproefster van Cleopatra/ Sonja Barend. Verbazing alom als er een flink afgeslankte voorproefster Sylvia aan komt geschreden! (Een iets té flink afgeslankte versie misschien? Net als bij de nieuwe Adele-anno-2020 krijg je het idee dat er iets mist, dat het niet de “echte” is…)

Ome Joop, een geit en een jazzband

The Excellos Five, rond 1925; Joop de Leur tweede van rechts

Het heeft ff geduurd, maar eindelijk zijn de jaren twintig dan terug. Ik, uw nederige blogger, ben er helemaal klaar voor: jaren ’20-muziek is al sinds lange tijd een soort rare obsessie van me. Okee, 1 van mijn rare obsessies. Eigenlijk waren de jaren ’20 een soort jaren ’60; alles wat in de sixties gebeurde, van civil rights tot beatniks, beatmuziek, x-rated literatuur en hippies, heeft zijn oorsprong in de roaring twenties. En zoals de beste popmuziek eigenlijk “verkeerd” gespeelde zwarte muziek was, zo is mijn favoriete ’20s-muziek de nét-niet-jazz zoals die vooral door Europese bands gespeeld werd. In Duitsland krioelde het van zulke orkesten, en net zoals vroege rock & roll-artiesten als de Tielman Brothers het benepen Nederland omruilden voor de Bundesrepublik, zo trok in de Jazz Age menig NL jazzmuzikant de grens over. Zo ook de broers Tonny (vader van Sylvia) en Joop de Leur.

Joop de Leur. Één gelijkenis met nichtje Sylvia springt meteen in het oog.

Ome Joop zou veel later, terug in NL, bekend worden als componist (Zuiderzeeballade e.a.) en begeleider van o.a. Lou Bandy, waar hij nichtje Sylvia aan haar eerste Nederlandse showbiz-baantje hielp: ze moest de geit van Lou vasthouden! Bandy, die een hit had met Lou Met De Geit, verlootte bij elk optreden een geit aan het publiek. Wat ik niet over zou hebben voor een foto van de 16-jarige Sylvia met de geit van Lou aan een lijntje!

Lou toen hij nog zelf z’n geit moest vasthouden

Maar ik dwaal af. Joop de Leur speelde piano in de half Belgisch/ half Nederlandse band the Excellos Five, die midden jaren ’20 in het wilde Berlijn furore maakte. Omdat er in Duitsland geen importplaten uit de USA/UK te vinden waren en in Nederland wel, speelden Joop en consorten met een jazz-feel die daar zelden gehoord werd. Vooral de Belgische drummer/leider Robert Kierberg swingde (swong?) er flink op los, jaren vóór de Duitse meneren Dinges zouden weten wat swing is. De platen die de Excellos Five in 1925-’26 opnamen zijn wsch de eerste echte door Nederlanders gemaakte jazzplaten, en góeie ook. (Maar in NL enig benul daarvan hebben, ho maar. Zoals altijd – nederbeat, nederpunk – zijn het buitenlandse liefhebbers die ons erop moeten wijzen.) Joop zou niet lang in de band blijven; hij had een snorretje laten staan en Kierberg beval hem het af te scheren (“het is óf wij allemaal een snor, of niemand!”). Joop hield eigenlijk helemaal niet van dat snorretje, maar hij wilde zich niet laten commanderen en nam eerst ontslag en schoor vervolgens z’n snor af. Er was werk genoeg, Joop zou nog met de grootste orkesten spelen tot de depressie aanbrak en het sappelen werd, waarop hij terugkwam naar NL en ging componeren.

De Excellos Five-opnamen zijn nooit heruitgebracht maar wel grotendeels door verzamelaars op youtube gezet; ikzelf heb, gewoon voor de lol, hun Charleston uit 1925 gecombineerd met een filmpje van een Charlestonnende Sylvia uit 1979! Ziehier:

Fake news! Het wijn-incident

Ter afsluiting van het eerste DeLeurean-jaar hebben we een mooie scoop voor u. Fake news? Alternative facts? Daar draaide Sylvia, in 1974 al, haar hand niet voor om! (Of juist wel, zoals zal blijken.) “SYLVIA DOOPTE ANS” kopte de Telegraaf op de voorpagina. Een expositie van haar vriendin (schilderes/tekenaar/schrijfster) Ans Wortel openend, zwaaide Syl in het vuur van haar betoog met een glas wijn en bevlekte zodoende een kostbare Wortel-gouache. Consternatie, tranen, etc. Onder de 72-punts krantenkop een foto van de twee vriendinnen die er zo te zien alweer om konden lachen. Maar het verhaal heeft een staartje: 45 jaar later kreeg uw blogger van plaatsgenoot en facebookvriend Ko Boos, ex-journalist, tegenwoordig “seriewoordenaar”, te horen dat het hele incident in scene was gezet!

Ans Wortel in 1965

Boos was in 1974 free-lance reporter en had een relatie met Ans achter de rug. Hij zou een artikel over de expo schrijven, maar dat zou op maandag verschijnen en dus verzuipen tussen het sportgeweld. Om niet met een postzegelformaat stukje achterin terecht te komen moest er wat verzonnen worden. Hier Ko Boos zelf:

“De vernissage was op ‘n zondag. Ik was toen ‘n nijvere freelancer en onder meer correspondent van De Telegraaf. Omdat Sylvia de Leur de opening zou verrichten moest er maandag ‘n stukkie in de krant. Die luie flikkers van de kunstredactie schoven zo’n weekendklussie door naar ‘n huurling. Ik. Gòtfer! De maandageditie was één sport, ál sport. Dus zo’n nieuwtje over ‘n penseelgekkie beloofde te worden weggefrommeld als ‘n eenkolommertje ergens achterin. Een dag werk voor ‘n jodenfooi.

Die zondag was ik ruim op tijd aanwezig en trad in overleg met Ans en Sylvia. De schilderes vroeg ik of ze een gouache had die ze kon missen. Die werd met ‘n rotgang uit het atelier Kranenburgh gehaald en kreeg een prominente plaats tegen de expositiewand. Met haar van De Leur nam ik een opzetje door. De gearriveerde fotograaf zei ik z’n toestel op motordrive te zetten.

Opening. De actrice hield, staande voor de wand met de wegwerpgouache, een cabaretesk toespraakje. Glas rode wijn losjes in de hand. ‘En dan verklaar ik’, klaterde ze op z’n Sylvia de Leurs, ‘de expositie NÚ voor geopend!’ Dat NÚ was het sein voor de fotograaf. Want met een theatraal, gracieus gebaar zwierde de actrice haar arm met de hand die dat glas omvatte hoog in het zwerk. Doorschietend tot achter heur hoofd. Een straal dieprode wijn lanceerde zich door de galerie en plensde tegen de gouache.

Consternatie van jewelste.

De Leur barstte in tranen uit. Daar was ze actrice voor. De kunstenares wreef met ‘n sjaal, afgegrist van een der aanwezigen, de rooddruipende vlek op haar kunstwerk kippedriftig wat groter. Daarna troostte ze de nòg luider wenende dramatrice: ‘Kùt, meid! Stil nou maar. Als je ‘n ander was geweest had je al buiten gelegen’.”

“En uit m’n herinneringen kwamen ze en al m’n hoofden had ik nodig om ze te herinneren”, Ans Wortel, 1971

Fake nieuws dus, maar wel fake nieuws op de voorpagina over vier kolommen. Verbijsterd als ik was om dit verhaal te horen en nog wel uit de mond van iemand die ik ken, heb ik Ko nog wat vraagjes gesteld waarop hij op zeer royale wijze antwoord gaf (waarvoor dank!):

Kende je Sylvia zelf persoonlijk?

Sylvia behoorde niet tot mijn inner circle, ze maakte wel deel uit van de wat rommelige Rolodex van Ans. Meiden van enige arty-statuur kwamen elkaar in die jaren tegen op podia of achter de meest onverdachte coulissen, en raakten allengs redelijk ‘bruikbaar bevriend’.

Met Ans, daarentegen, was ik een reeks van jaren hecht. Wanneer ik heur in Huis Kranenburgh te Bergen bezocht bracht ik, zomer of winter, een ijstaart mede. Dat was traditie geworden. Er werd tot in de kleine uren gezopen, dus meestal bleef ik voor ‘n nachie. Kommakkelek. Ze beschikte over een in de vloer verzonken, kamerbreed bed waar je zo in kon wandelen.

We onderhielden een handgeschreven correspondentie van knetterende letteren. Haar brieven ben ik kwijt; of de mijne tussen heur bescheiden zijn aangetroffen nadat ze in december ‘96 op eindreis ging weet ik niet. Beter van niet.

Voordat ze Kranenburgh betrok woonde ze in ‘n allerakeligst klein, bedompt, raamloos kamertje te Alkmaar. Dat meed ze zo veel mogelijk; de avonden en nachten vonden haar terug in een plaatselijke nachtclub. Daar ontmoette ik haar dan ook voor de eerste maal. Haar gouaches vertolkten toen haar omstandigheden: ze hadden geen ruimte, geen horizon. Dat veranderde op slàg toen ze in 1969 Kranenburgh betrok.

Ze raakte wat ruimer in de slappe was en had een autootje gekocht. Na een doorwaakte nacht kreeg ze het in haar kop om even schoenen te gaan kopen. In Parijs. Haar zus ging mede omdat ze dat van Ans moest. Gàs! Op de terugweg reed ze in België fullspeed tegen ‘n hoop kasseien op die daar op de heenweg nog niet gelegen had. Kop in elkaar, onder andere. Ze verliet het hospitaal met een link oog. Dat traande sindsdien.

Vandaar de latere gouaches met tranende hoofden.

Ans Wortel was behalve schilderes ook schrijfster, en sommige (ellenlange) titels van haar werken zijn even prachtig als het schilderwerk zelf. Hebben jullie wel eens samengewerkt, bijv aan die titels?

Over de teksten onder haar werk hebben we inderdaad wel gefilosofeerd. Met name tijdens de laatste Kranenburgh-jaren werden ze kwaaiïg, cynisch van toonzetting. Het wilde beest dat in haar hurkte is nooit getemd.

Was Sylvia makkelijk over te halen tot de wijn-act? Er zijn vrouwen voor minder gebrandmerkt als drankorgels in de NL entertainmentbizz…

Dat geintje met Sylvia tijdens die vernissage: daar had De Leur geen enkele moeite mee. Integendeel: ze zag er de mercantiel-kunstzinnige bedoeling wel van in. En ze kweet zich bewonderenswaardig levensecht van die act, tot en met de tranen.

Hé kijk, een Bantzinger

Sylvia de Leur getekend door Cees Bantzinger. Aan het jaartal te zien speelde ze op dat moment in Hé Kijk Mij Nou; dat hij met een paar lijntjes Sylvia perfect weet neer te zetten bewijst dit screenshot van de tv-bewerking ervan:

Behalve dat Sylvia in Hé Kijk Mij Nou een veeleisende dubbel(-hoofd-)rol speelde, voerde ze ook nog een virtuoze tapdans uit met kauwgum aan d’r schoen, volgens sommige recensenten het hoogtepunt van de show.

Cees Bantzinger (1914-1985) was in de jaren ’40/’50 een bekend illustrator die, net als illustere collega’s als Eppo Doeve en Jo Spier, veel voor tijdschriften werkte in de tijd dat ze nog meer tekeningen dan foto’s afdrukten. Hij had een voorliefde voor toneel én voor vrouwen, en tekende vaak tijdens voorstellingen; zijn (tweede) vrouw Jetty Paerl was zangeres en had ooit de eer het allereerste lied op het allereerste Eurovisie Songfestival te zingen.

Portret & zelfportret Cees Bantzinger
Jetty Paerl

Maar ver daarvóór had Jetty al nationale faam verkregen als “Jetje van Radio Oranje”; in WOII zong ze vanuit Londen anti-naziliederen als Op De Hoek Van De Straat Staat Een NSB’er. Hoewel Cees Bantzinger ook in het verzet actief was, achtervolgde een onbezonnen misstap hem tot in de jaren ’80 en een tragisch einde, zoals te lezen valt in zijn biografie:

Biografie

Duitse dieren(haatster)

Volgens de gangbare definitie van allochtoon (een persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland geboren is) is mijn vriendin allochtoon (niet-Westers nog wel), en haar dochter ook (Duitse vader). Ook is de helft van mijn neefjes en nichtjes allochtoon. Sylvia de Leur was een allochtoon, ze had een Duitse (of Poolse, net hoe de grenzen lagen) moeder. Zo bezien heeft het iets potsierlijks, iets willekeurigs als er weer eens “de allochtonen moeten dit, de allochtonen moeten dat” geroepen wordt. Je zou net zo goed “mensen met rood haar moeten dit en dat” kunnen roepen. Integreren? We moeten allemaal integreren! (Maar ook weer niet te veel…) Wat deed Sylvia er eigenlijk aan om te integreren toen ze op haar vijftiende naar Nederland kwam? Allereerst leerde ze perfect Nederlands spreken, misschien zelfs iets té perfect, ze heeft altijd een hele nette dictie gehouden. In het gezin De Leur was zij de enige die goed Nederlands kon; haar vader, violist Tonny de Leur, was na dertig jaar buitenland het Nederlands zo goed als verleerd (té goed in het buitenland geintegreerd dus!).

Cameo vader De Leur in Wat Zien Ik

Verder drong vader er op aan dat er een diploma gehaald moest worden, maakte niet uit waarin, in NL moet je een papiertje hebben. Dus haalde Sylvia haar diploma schoonheidsspecialiste (haar enige). Was Sylvia geslaagd in haar integratie? Ondanks haar mooie diploma sloeg ze direkt na het behalen ervan aan het beunhazen op het toneel ipv passend werk te vinden, niet erg Nederlands! Haar accentloze uitspraak zorgde er wel voor dat ze zelden op het toneel als buitenlandse werd neergezet, in tegenstelling tot bijv Donald Jones, die door zijn knoeperd van een accent juist een nationale knuffelallochtoon werd (en Rudi Carrell die in Duitsland de nationale knuffelallochtoon werd). Uitzondering daarop was een sketch in Avro Music Hall (1963) waarin ze als Duitse dierenhaatster een dierenprogramma gepresenteerd door Rijk de Gooijer en Ronnie Bierman moest verstoren. De sketch is niet echt leuk, maar haar Duitsnederlands is perfect (waarschijnlijk deed ze haar moeder na?)

(P.S.: Bij Lurelei werd Syl ook al eens als dierenhaatster neergezet, gek eigenlijk; naar verluidt was ze gek op dieren, hier het bewijs:)

Olé!

Van Sylvia is op één of andere manier in ons collectieve geheugen blijven hangen dat ze constant spelprogramma’s, quizzen, reclames en kluchten deed. Okee, die spelletjes en quizzen, dat klopt misschien, maar kluchten? Misschien twee of drie. Okee, vier of vijf. Eén van de eerste was in ieder geval De Spaanse Vlieg, in 1973 live opgevoerd voor de Vara-TV die het gat moest zien op te vullen dat achtergelaten was door Eén Van De Acht. In de kritieken werd het stuk ofwel opgehemeld óf finaal de grond in geboord, en als je het ziet snap je waarom. Bij het fenomeen klucht geldt: je moet je er willoos aan overgeven, anders wordt het niks. Zoiets als paintball, of grindcore. (Dat de klucht niet als een minderwaardig genre gezien werd blijkt trouwens uit de aanwezigheid van Grande Dame van het toneel Ank van der Moer.) Minstens zo belangrijk als het stuk op zich is de mimiek en het geschmier van de spelerssters, en dat hadden ze hier goed begrepen; in de laatste akte, waarin Sylvia (als de na 25 jaar teruggekeerde femme fatale, de Spaanse Vlieg) onder luid applaus ten tonele wordt opgevoerd, wordt bijna aan één stuk door hysterisch geschreeuwd, gelachen, gevochten en gedanst; dompel jezelf er in onder of je bent reddeloos verloren.

Sylvia en Ank van der Moer (mooi stel: de eerste ooit die “neuken” op het toneel zei, samen met de eerste die “lul” op het toneel zei!)
En daar is Allard van der Scheer weer…
…en Henk Molenberg
Jules Hamel, gewelddadige pooier van Sylvia in Wat Zien Ik, speelt hier haar lulletje rozenwater-zoon.

Majesteitsstennis

Het Heiligste Huisje naast de kerk was begin jaren ’60 natuurlijk het koningshuis. En zoals Lurelei opstootjes veroorzaakte met het goedmoedig spotten met de kerk, zouden ze ook de natie over zich heen krijgen met wat eigenlijk een – zeker voor Lurelei-begrippen – heel lief liedje over de koningin was. Iets eerder al kwam in de Lurelei-TV-show een sketch langs waarin een echtpaar, gespeeld door Sylvia de Leur en Eric Herfst, overweegt hun tweede huis weg te geven. Gaandeweg snap je hoe de vork in de steel zit: hun tweede huis staat in hartje Amsterdam, en omdat ze er bijna nooit komen stellen ze voor het aan de stad terug te geven. Omdat ze volgens typisch minimalistisch Lurelei-gebruik niet met alle toeters en bellen van dien verkleed zijn maar alleen subtiel herkenbaar aan de anjer in het knoopsgat van Eric Herfst, denk je pas halverwege: ah, Juliana en Bernhard!

De sketch is niet meer dan een plaagstootje, maar moet in 1964 behoorlijk rebels zijn overgekomen. Al snel echter zou Lurelei keihard links ingehaald worden door de Provo’s en andere relschoppers, die in de beproefde Wild One-traditie (“What are you against?” “What have you got?”) elk excuus aanpakten om stennis te maken. En wat diende zich daar op precies het goeie moment aan: een Duitse prins-gemaal in spe! 10 Maart 1966 zou een historische datum worden, niet vanwege de trouwpartij van Beatrix en Claus, maar vanwege de relletjes en rookbommen. En vanwege wat misschien wel het bekendste Lurelei-lied zou worden (al is het toen nooit uitgebracht): Arme Ouwe. Niet alleen lief, bijna teder, qua tekst (u kent het wel maar ff kort: Provo vindt dat Juliana op z’n moeder lijkt), maar ook muzikaal veel mooier en interessanter dan de meeste eerdere “de bakker sloeg z’n wijf”-Lurelei-wijsjes. Maar ja, aangezien de meeste mensen niet luisteren maar alleen horen wat ze willen horen (“schande, ze noemen de koningin een koe!”) werd het de grootste rel in de Lurelei-geschiedenis. Sylvia zat er toen al sinds een jaar niet meer bij, op dat moment deed ze allerlei klusjes en schnabbels, zoals bijv een Siamese tweeling-act in de rechtstreekse TV-feestshow ter gelegenheid van het Bea-Claus-huwelijk! In twee jaar tijd van rebel naar establishment…

(Gerard Cox, zanger van Arme Ouwe, zou een paar jaar later op zijn beurt de overstap naar de mainstream maken met het lied 1948 (Toen Was Geluk Heel Gewoon), geschreven en oorspronkelijk met de tong ferm in de wang gezongen door Wim de Bie en ex-mede-Lureleier Kees van Kooten.)

Slaving for bread, the Israelites

Eric Herfst op bezoek bij Sylvia de Leur, die januari 1968 wegens een verwaarloosde longontsteking was opgenomen in het ziekenhuis. Eric in stoere leren sixtiesjas (en met stoere sixtiesbakkebaarden), Sylvia een aandoenlijk vogeltje. Ze verwachtte met tien dagen wel weer op het Lurelei-podium te staan, maar die tien dagen werden twee maanden; ze was toch zieker dan ze dacht. Misschien was het een algehele meltdown na dertig jaar (vanaf haar vijfde) keihard werken. “Get up in the morning/ slaving for bread”, zoals Desmond Dekker datzelfde jaar zong, en dat gold voor Sylvia af en toe letterlijk; in en vlak na WOII werd ze als rondzwervend varieté-artiest vaak in brood en pap uitbetaald.

De kranten vermeldden dat ze was opgenomen in de Centrale Israelitische Ziekenverpleging, waar ik nog nooit van gehoord had. Een ziekenhuis voor Joden? Sylvia was kwart-Joods, haar Joodse oma van vaderskant trouwde met een katholiek (de Mulisch-oneliner “ik ben de Tweede Wereldoorlog” gaat nog meer voor de Joods-Nederlands-Duits-Slavische Sylvia dan voor Harry op). De CIZ werd in 1916 geopend aan de Jacob Obrechtstraat, “ten behoeve van beter gesitueerde joden; deze konden zich daar volgens de Joodse religieuze wetten laten verplegen” aldus Wikipedia. Luguber genoeg gebruikten de Duitsers het ziekenhuis in WOII om gemengde stellen te steriliseren. Na WOII was het hospitaal een tijdje opvang voor overlevenden uit de concentratiekampen, waarna het weer als vanouds in gebruik werd genomen. Maar Sylvia leefde toch helemaal niet “volgens de Joodse religieuze wetten”? Hoe kwam ze daar dan terecht?

Ingang CIZ (gesloopt in 1980 om plaats te maken voor het Jellinekhuis)

Vervlogen verrekijk

Hoewel er veel oude televisie bewaard is gebleven – en op te vragen bij Beeld en Geluid – zijn er minstens evenveel programma’s voor eeuwig in de ether vervlogen. Sylvia heeft bijvoorbeeld haar “hit” Sto Mpazari een aantal keren op TV opgevoerd, maar er is geen bewegend beeld meer van te vinden. Hier nog meer vervlogen verrekijksels:

Kwets-Uur, zo te zien parodie op Zoishettoevalligooknogeseenkeer, 1965
Meter maids Sylvia en Simone Rooskens in Kwartetten, 1966
De Waarheid En Niets Dan De Waarheid, 1966. Dienstmeisje Sylvia hoefde hier niet veel meer te doen dan zich te laten wurgen en dood te liggen (deed ze niet al te best volgens 1 recensie!)
Een Koekoek Op Het Nest, met Do van Stek, 1966. Alweer dienstmeisje?
De Mikado, 1967. Is wel bewaard gebleven maar wordt niet vrijgegeven wegens muzikale rechten (verwarren ze Gilbert & Sullivan die al honderd jaar dood zijn misschien met Gilbert O’ Sullivan?)
Doe toch je best! Sylvia als hysterische schooldirectrice in Het Dagboek Van Joop ter Heul (1968), wel op plaat, niet op video.
De als “Lurelei-strip” aangekondigde serie Rust Noch Duur, 1969.
Kerstengel in De Wonderlijke Wereld van Drs. P, 1970. In het pas verschenen nieuwe Drs. P Jaar- en Bewaarboek Leve Onze Goede Czaar! wordt kwade opzet vermoed achter de verdwijning van de drie Drs. P-shows die de NCRV in de jaren ’60 uitzond, maar deze VPRO-show is ook van de aardbodem verdwenen.

Tenslotte noemen we nog ff de in 1969/70 spraakmakende improvisatieshow, simpelweg Improvisaties geheten. Jaja, zelfs De Lama’s deed Sylvia al dertig jaar eerder. Helaas niet alleen geen bewegend beeld maar zelfs geen stilstaand beeld van gevonden…