Ome Joop, een geit en een jazzband

The Excellos Five, rond 1925; Joop de Leur tweede van rechts

Het heeft ff geduurd, maar eindelijk zijn de jaren twintig dan terug. Ik, uw nederige blogger, ben er helemaal klaar voor: jaren ’20-muziek is al sinds lange tijd een soort rare obsessie van me. Okee, 1 van mijn rare obsessies. Eigenlijk waren de jaren ’20 een soort jaren ’60; alles wat in de sixties gebeurde, van civil rights tot beatniks, beatmuziek, x-rated literatuur en hippies, heeft zijn oorsprong in de roaring twenties. En zoals de beste popmuziek eigenlijk “verkeerd” gespeelde zwarte muziek was, zo is mijn favoriete ’20s-muziek de nét-niet-jazz zoals die vooral door Europese bands gespeeld werd. In Duitsland krioelde het van zulke orkesten, en net zoals vroege rock & roll-artiesten als de Tielman Brothers het benepen Nederland omruilden voor de Bundesrepublik, zo trok in de Jazz Age menig NL jazzmuzikant de grens over. Zo ook de broers Tonny (vader van Sylvia) en Joop de Leur.

Joop de Leur. Één gelijkenis met nichtje Sylvia springt meteen in het oog.

Ome Joop zou veel later, terug in NL, bekend worden als componist (Zuiderzeeballade e.a.) en begeleider van o.a. Lou Bandy, waar hij nichtje Sylvia aan haar eerste Nederlandse showbiz-baantje hielp: ze moest de geit van Lou vasthouden! Bandy, die een hit had met Lou Met De Geit, verlootte bij elk optreden een geit aan het publiek. Wat ik niet over zou hebben voor een foto van de 16-jarige Sylvia met de geit van Lou aan een lijntje!

Lou toen hij nog zelf z’n geit moest vasthouden

Maar ik dwaal af. Joop de Leur speelde piano in de half Belgisch/ half Nederlandse band the Excellos Five, die midden jaren ’20 in het wilde Berlijn furore maakte. Omdat er in Duitsland geen importplaten uit de USA/UK te vinden waren en in Nederland wel, speelden Joop en consorten met een jazz-feel die daar zelden gehoord werd. Vooral de Belgische drummer/leider Robert Kierberg swingde (swong?) er flink op los, jaren vóór de Duitse meneren Dinges zouden weten wat swing is. De platen die de Excellos Five in 1925-’26 opnamen zijn wsch de eerste echte door Nederlanders gemaakte jazzplaten, en góeie ook. (Maar in NL enig benul daarvan hebben, ho maar. Zoals altijd – nederbeat, nederpunk – zijn het buitenlandse liefhebbers die ons erop moeten wijzen.) Joop zou niet lang in de band blijven; hij had een snorretje laten staan en Kierberg beval hem het af te scheren (“het is óf wij allemaal een snor, of niemand!”). Joop hield eigenlijk helemaal niet van dat snorretje, maar hij wilde zich niet laten commanderen en nam eerst ontslag en schoor vervolgens z’n snor af. Er was werk genoeg, Joop zou nog met de grootste orkesten spelen tot de depressie aanbrak en het sappelen werd, waarop hij terugkwam naar NL en ging componeren.

De Excellos Five-opnamen zijn nooit heruitgebracht maar wel grotendeels door verzamelaars op youtube gezet; ikzelf heb, gewoon voor de lol, hun Charleston uit 1925 gecombineerd met een filmpje van een Charlestonnende Sylvia uit 1979! Ziehier:

Majesteitsstennis

Het Heiligste Huisje naast de kerk was begin jaren ’60 natuurlijk het koningshuis. En zoals Lurelei opstootjes veroorzaakte met het goedmoedig spotten met de kerk, zouden ze ook de natie over zich heen krijgen met wat eigenlijk een – zeker voor Lurelei-begrippen – heel lief liedje over de koningin was. Iets eerder al kwam in de Lurelei-TV-show een sketch langs waarin een echtpaar, gespeeld door Sylvia de Leur en Eric Herfst, overweegt hun tweede huis weg te geven. Gaandeweg snap je hoe de vork in de steel zit: hun tweede huis staat in hartje Amsterdam, en omdat ze er bijna nooit komen stellen ze voor het aan de stad terug te geven. Omdat ze volgens typisch minimalistisch Lurelei-gebruik niet met alle toeters en bellen van dien verkleed zijn maar alleen subtiel herkenbaar aan de anjer in het knoopsgat van Eric Herfst, denk je pas halverwege: ah, Juliana en Bernhard!

De sketch is niet meer dan een plaagstootje, maar moet in 1964 behoorlijk rebels zijn overgekomen. Al snel echter zou Lurelei keihard links ingehaald worden door de Provo’s en andere relschoppers, die in de beproefde Wild One-traditie (“What are you against?” “What have you got?”) elk excuus aanpakten om stennis te maken. En wat diende zich daar op precies het goeie moment aan: een Duitse prins-gemaal in spe! 10 Maart 1966 zou een historische datum worden, niet vanwege de trouwpartij van Beatrix en Claus, maar vanwege de relletjes en rookbommen. En vanwege wat misschien wel het bekendste Lurelei-lied zou worden (al is het toen nooit uitgebracht): Arme Ouwe. Niet alleen lief, bijna teder, qua tekst (u kent het wel maar ff kort: Provo vindt dat Juliana op z’n moeder lijkt), maar ook muzikaal veel mooier en interessanter dan de meeste eerdere “de bakker sloeg z’n wijf”-Lurelei-wijsjes. Maar ja, aangezien de meeste mensen niet luisteren maar alleen horen wat ze willen horen (“schande, ze noemen de koningin een koe!”) werd het de grootste rel in de Lurelei-geschiedenis. Sylvia zat er toen al sinds een jaar niet meer bij, op dat moment deed ze allerlei klusjes en schnabbels, zoals bijv een Siamese tweeling-act in de rechtstreekse TV-feestshow ter gelegenheid van het Bea-Claus-huwelijk! In twee jaar tijd van rebel naar establishment…

(Gerard Cox, zanger van Arme Ouwe, zou een paar jaar later op zijn beurt de overstap naar de mainstream maken met het lied 1948 (Toen Was Geluk Heel Gewoon), geschreven en oorspronkelijk met de tong ferm in de wang gezongen door Wim de Bie en ex-mede-Lureleier Kees van Kooten.)

Snerp!

Volkskrant, 1962

“…het mollige meisje Sylvia de Leur, dat een stemmetje heeft dat een mens door merg en been snerpt”, aldus een krant in 1962, toen Sylvia net bij Lurelei was begonnen. Ze was nog maar amper bekend maar het leek of haar stem al een paar stappen voor haar uit snerpte; het snerpen zou al snel een handelsmerk worden. Persoonlijk vind ik dat Sylvia een heel mooi stemgeluid had, je moet er alleen wel naar zoeken tussen het gesnerp door. Net als haar uiterlijk heeft haar stem iets exotisch, iets Oost-Europees. Als ze zacht praat of in haar lage register zingt hoor je het; helaas moest ze meestal hard praten en hoog zingen.

Volkskrant, 1962

Getergd door het snerpstempel zong Sylvia niet graag, en dus heeft ze weinig platen gemaakt. Jammer want in het vluchtige theatervak is een lied, een hit, een van de weinige wegen naar onsterfelijkheid. Jenny Arean, Gerard Cox; ze kunnen nog zo veel gedaan hebben, wij kennen ze van Vluchten Kan Niet Meer en Broekje In De Branding. Zonder gedenkwaardige liedjes vervliegen al Sylvia d’r toneelprestaties, al deed ze nog zo d’r best, en ze deed altijd d’r best. Één van de weinige liedjes die ze opnam heette trouwens Doe Toch Je Best! Het is Sylvia op haar allersnerpendst, als schooldirectrice in de tv-versie van het Dagboek Van Joop ter Heul (1968). Het nummer heeft een mooie ragtime-achtige sfeer (oorspronkelijke versie heet Deep Down Inside uit de musical Little Me, waarvan het boek door Neil Simon was geschreven die later Last Of The Red Hot Lovers schreef, het eerste theaterstuk waar Sylvia in speelde, maar dit terzijde!)

De Verluren Lorelei

Paisley Psylvia! Met Lurelei in de tv-studio, 1965

“Ik herinner me nog dat we ons daar in dat piepkleine zaaltje aan de Leidsekade voor aanvang van de jaarlijkse première verkneukelden over wat we te zien en te horen zouden krijgen. Vooral het programma waaraan de onvergetelijke Leen Jongewaard en Sylvia de Leur meewerkten was zo verschrikkelijk goed en geestig. Wekenlang teerde je nog op de herinnering van al die grappige en gemene nummers. Het nummer waarin Leen Jongewaard vanuit een vuilnisbak het moderne toneelrepertoire op de hak nam zal ik nooit vergeten. En Eric Herfst met zijn clowneske gezicht in combinatie met Sylvia de Leur, aan wie ook iets van het circus kleefde; als je hen bezig zag was dat van grote schoonheid.” Dit schrijft Marjan Berk, zelf later ook Lureleister, in haar boek Memoires van een dame uit de goot van het amusement (het tweedehands bij bol.com bestelde exemplaar waar ik dit uit heb overgetypt komt zo te zien en ruiken trouwens ook uit de goot van het amusement, maar dit terzijde). Het is interessant dat, ondanks de waardering van collega’s en publiek, Sylvia er in de cabaretgeschiedschrijving bekaaid van afkomt; áls Lurelei al een halve bladzijde krijgt wordt zij niet, of even snel in het voorbijgaan genoemd. Volgens mij komt dat omdat ze eigenlijk altijd een outsider is geweest, ze maakte geen deel uit van die typisch Nederlandsige aardappel-in-de-keel/vibrato/grote gebaren/grote ogen-cabarettraditie. En hoewel Lurelei altijd wordt geprezen om de scherpe (en lange) teksten van Guus Vleugel, waren hun succesnummers met Sylvia zoals Tango Mortale en Sto Mpazari vrijwel woordeloos (iig Nederlandse woorden-loos). Zoals Marjan Berk al zei: Sylvia was meer van het circus (of varieté eigenlijk) dan van het cabaret.

Hoewel Lurelei al enkele jaren furore maakten in het theater, braken ze pas echt nationaal door toen ze eind 1964 hun eigen tv-programma kregen bij de VARA. De eerste twee afleveringen zijn bewaard gebleven en zwerven in stukken en brokken op youtube rond; de derde aflevering werd afgelast omdat de omroep bezwaar had tegen sommige teksten, o.a. van het Jan Cremer-liedje van Sylvia. April 1965 kwam er uiteindelijk nog een aflevering, maar die is wsch niet bewaard gebleven. Welke nummers zouden ze gedaan hebben? Ik denk in ieder geval Begraven is goedkoper dan U denkt, aan de telefoon op de foto hierboven te zien. En vast ook het huzarenstuk Botanisch Twistgesprek waarin Leen, met Sylvia dansend, een tekst met 110 obscure plantennamen zingt. DeLeurean heeft nl. speciaal voor u een (oude) Revue uit dezelfde maand opgesnord waarin Leen en Syl op een paar mooie kleurenfoto’s de botanische tango uitvoeren; het blad begaat helaas de onvergeeflijke fout het lied aan Guus Vleugel toe te schrijven ipv aan Drs. P!

Fokkie gescheurd

Ria Kuyken als Miss Ei 1961, Barneveld

Ria Kuyken was jong, mooi, kon goed zingen en werd in 1961 door de gemeente Barneveld verkozen tot Miss Ei. Lijkt het misschien een twijfelachtige eer om als Miss Ei door het leven te gaan, het lot had iets nog ergers voor haar in petto: Ria zou vanaf het daaropvolgende jaar voor altijd in het collectieve geheugen gegrifd staan als “de vrouw van de beer”. In 1962 werd ze tijdens een repetitie voor een circusnummer aangevallen en in haar schouder gebeten door een beer. Het was niet eens een optreden, alleen een repetitie zonder publiek, maar Ria had de domme pech dat persfotograaf Cees de Boer een (vrij onflatteus) plaatje van het voorval schoot dat prompt de hele wereld rondging en de Zilveren Camera en World Press Photo van het jaar won.

De fameuze foto. (Dat de achterste beer gewoon doorgaat met de act geeft de foto IMHO een beetje een surrealistisch tintje.)

Na de foto kreeg Ria een overvolle agenda, niet vanwege haar zangkwaliteiten, maar omdat iedereen wel die vrouw van die beer wilde zien. Ze kon geen optreden doen zonder dat er een grapjas in een berenpak het podium op kwam. Zelfs bij haar overlijden in 2001 kopten de kranten “Ria Kuyken, de vrouw van de beer, overleden”. Toen bekend werd dat Sylvia de Leur op het Nationaal Songfestival van 1973 een berenact ging doen klom Ria meteen in de pen (of de seinsleutel) om haar per telegram te waarschuwen. Ria en Sylvia gaan dan ook ver terug; in 1958 zongen en speelden ze samen in de Benny Vreden-musical Waterproef, de eerste keer ooit dat ze beiden op televisie kwamen.

Ze werden geadverteerd als een “VPRO-ensemble”, wat niet alleen inhield dat de musical door de VPRO werd uitgezonden, maar ook dat ze als een soort promotieteam op toer gingen langs zg. “VPRO-bindingsavonden”. De latere anarchistische Wim T. Schippers-VPRO lag nog mijlenver in het verschiet; op deze avonden werd de musical (met liedjes als “Ik heb m’n fokkie gescheurd”) steevast voorafgegaan door een praatje van een plaatselijke dominee en een wervende toespraak van “VPRO-propagandist” C. Galis. Cor Galis, toen al De Stem van de VPRO! Geen foto gevonden van Syl & Ria tijdens hun allerallereerste TV-optreden, wel een paar met Syl & Ria op de voorkant van (en in) de VPRO-gids, jong, onschuldig en zich niet bewust van de beren die ze nog op de weg tegen zouden komen.

Ria Kuyken in 1967. Sommige mensen leren het ook nooit…

Uw kruis tocht

Plaatpresentatie Miami Nightmare, 1980

Toen Sylvia in 1977 gevraagd werd mee te doen aan Miami Nightmare, een manifestatie tegen de Anita Bryant-antihomokruistocht, hoefde ze niet lang na te denken. Ze hing als jong meisje al rond in De Schakel, de bar-dancing die het COC in 1955 opende in de Korte Leidsedwarsstraat (waar nu de Waterhole zit) en had een paar jaar een relatie met ene Petronella. De autoriteiten hadden het toen nog niet zo op lui die het hielden met “dezelfderlei kunne” maar omdat ze ze liever op 1 plek geconcentreerd zagen ipv verspreid over de piskrullen in de stad mocht De Schakel tot ver na de normale sluitingstijd open blijven. Sylvia vertelt in haar boek hoe ze er vaak tot 5 of 6 uur rondhing om de volgende ochtend tollend van de slaap weer aan het werk te gaan. Voor haar dus geen probleem dat Miami Nightmare een all-nighter was, maar de Zangeres Zonder Naam, die speciaal voor de gelegenheid het lied Luister Anita had geschreven en als laatste op moest, ging bijna van d’r stokje. Gek genoeg kwam de live-registratie van Miami Nightmare (eig de eerste Gay Pride) pas drie jaar later op LP uit. Ik heb de sketch met Sylvia als Anita Bryant al eens gelinkt, hier voor het gemak de beste grap:

Interviewer (Adèle B): Uw kruistocht…

Anita (Sylvia): Wat zegt U??? …Staat er wat open?

Begin jaren ’60 zette ze met Lurelei al graag cliche’s over homo’s op hun kop, bijv in het door Guus Vleugel geschreven Vrienden en Vriendinnen. Helaas bestaat er geen opname van, dus hier de tekst…

Sylvia: En Lydia, hoe is het met Frits?

Jasperina: Goed kind, dank je. Je moet de groeten hebben.

S: O dank je. Ja, ik zag je verleden week nog in de schouwburg, maar zonder Frits. Dus ik denk: er zal toch niks wezen met Frits.

J: Welnee. Je kunt Frits alleen met geen honderd stokken naar de schouwburg krijgen, maar verder is er niets aan de hand.

S: Dus toen dacht je, dan ga ik maar met een ander.

J: Toen dacht ik: Kom ik ga eens met Jimmy.

S: O, heet-ie Jimmy?

J: Wat, ken jij Jimmy niet? O, Jimmy is geweldig.

S: Ja, dat dacht ik al. Een echte vrouwenvreter, om zo te zien.

J: Ach, een vrouwenvreter! Dat is zalig, dat moet ik direct aan Jimmy vertellen. Die zal zich bedoen. Lieve Ellen, Jimmy is zooo…

S: Zo? Wat zo. Hoe zo.

J: Gewoon, zo.

S: Wat zeg je me nou: Die knul waarmee je in de schouwburg zat, is die van de verkeerde
kant?

J: O Ellen, jij kunt er altijd zo hopeloos naast zitten met je uitdrukkingen. “Is die knul van de verkeerde kant?” Dat kun je toch niet zeggen, meisje.

S: Nou ja, ik bedoel eigenlijk: Is die heer een homofiel?

J: Maar lieve kind. Dat zie je toch onmiddellijk. Dat ligt er nou duimendik bovenop. Dat jij dat niet ziet, zeg. Eigenaardig.

S: Ja, het is soms een beetje moeilijk. Van Gerard van het Reve zou je het ook niet zeggen, als je hem zo ziet op de buis. Maar ja, hij heeft het zelf gezegd en hij zal er niet om liegen.

J: Ja, je moet er natuurlijk wel een beetje een geoefend oog voor hebben, he. Maar we
hebben volop de gelegenheid om ons oog te oefenen. (Kijkt naar Eric en Robert die zijn opgekomen.) Kijk es effe!

S: Zou ’t een vriendenpaar wezen?

J: O ja, dat zijn beslist twee vaste vrienden.

S: Wie van de twee is volgens jou het mannetje?

J: Die linker natuurlijk.

S: Nou vind ik die rechter ook wel iets mannelijks hebben…

J: Nee, nee, die rechter is het wijfje. Te zien aan hoe die met z’n heupen werkte.

S: Nou, moet je die linker zien. Liegt er ook niet om.

J: Het zijn altijd van die lieve jongens, he. Ik heb altijd direct contact met homofielen, en jij?

S: Altijd meteen contact, ja. Geestelijk dan.

J: Oehoe, meneer? Wilt u misschien van mij een vuurtje?

Robert: Ja, graag.

J: Alstublieft.

R: Dank u wel.

Eric: Mogen wij de dames dan misschien wat aanbieden?

J: O, dolgezellig zeg, maar komt u dan bij ons aan ’t tafeltje zitten.

S: Ober!

J: Is het misschien mogelijk, dat ik u ergens van ken? Zit u bij het Nationaal Ballet?

E: Nee, niet dat ik weet.

S: Maar dan bent u zeker bij het Nederlands Dans Theater?

E: Nederlands Dans Theater. He, hoor je dat, Wim!

R: Nou John, jij zou anders meteen op kunnen als de stervende zwaan.

J: Neemt u mij niet kwalijk, maar wat hebt u een prachtige hand. Kijk es Ellen, wat een gevoelig exemplaar!

S: Ja, wat een magnifieke hand zeg.

E: En ik heb er nog zo een!

S: Meneer, bent u ook in de kunst?

E: Nee, in de kunst niet, maar ik ken wel een hele hoop kunstjes.

J: En ik denk zo, dat u daar ook wel aardig over kunt meepraten.

R: Ober! Waar blijft die vent?

J: Zeg meneer, weet u dat ik eens een keertje op die club van u ben geweest? Wat is het daar dolgezellig, zeg. Ik heb me reuze geamuseerd.

E: Ja, ik ben geen lid meer van die club, hoor.

J: O nee, ’t is toch anders een vereniging met prachtige doelstellingen. Vindt u ook niet?

R: Ja, dat wel. Er is geen speld tussen te krijgen.

E: Mijn vriend en ik zijn alleen maar lid geweest van de juniores.

J: De juniores…

(Leen komt op als ober, doet zeer nichterig.)

Leen: Goeiemiddag dames… en heren.

R: Nou, dat werd tijd.

L: Het spijt me meneer, maar in het hoogseizoen kennen we geen ijzer met handen breken, he. Nou, zegt u ’t maar mevrouw.

J: Een appelsap.

L: Een appelepap voor mevrouw.

S: Tomatensap.

L: Een jus de tomates. De heren wensten?

E: Een grote pils.

R: Een grote pils.

L: En twee grote voor de heren.

R: En een beetje vlug ober, want ik sterf van de dorst.

L: Nou meneer, dan bent u in elk geval een beeldschone dooie… Hoor mij nou!! (Gaat af.)

R: Nou, zo ruig als een kokosmat.

E: Als ik zo’n kerel zie, kan ik wel kotsen, he.

J: Meneer! Wat u daar zegt, dat vind ik schandelijk.

S: Ja, hoe durft u zoiets te zeggen! U moet uw hand maar es in uw eigen boezem steken.

R: Zo bedoelde John het niet, he John.

E: Zo bedoelde ik het helemaal niet. Als iemand zo nodig met een andere kerel wil
rommelen, moet-ie dat voor z’n eigen weten. Geef mij maar een lekker vrouwtje hoor.

R: Hier heb je d’r nog zo een.

J: Dit berust op een walgelijk misverstand. Kom, laten we gaan.

S: Ja, we moeten eens opstappen. Dag heren.

E: Zeg Wim, wie van die twee is volgens jou nou het mannetje?

‘Scuse me while I Lurelei

Restaurant Paloni, het latere Lurelei-theater

Bijna twee decennia voordat de punk het Doe ’t Zelf-principe wereldwijd verspreidde kwam Lurelei met een programma met precies die titel. Ze deden dan ook alles zelf; stonden zelf bij de deur en deden zelf het licht (degene die op dat moment niet in de sketch of het lied zat uiteraard!), en in de pauzes brachten Jasperina, Sylvia en consorten in eigen persoon drankjes rond. En dat deden ze allemaal zes dagen in de week in hun eigen kleine theater, het karakteristieke voormalige Paloni-restaurant naast Bellevue aan de Leidsekade, door hun simpelweg tot Lurelei Theater omgedoopt.

Lurelei voor de tegelwand van hun theater, 1963

Ergens midden jaren ’60 werden enkele belendende zaaltjes in het Bellevue-complex als TV-studio’s ingericht; in een van die zaaltjes was het dat op 14 maart 1967 Jimi Hendrix met z’n Experience aantrad om voor het TV-programma Fenklup op te treden. De legende wil dat Jimi in de wandelgangen van het theater Jasperina had ontmoet en zo onder de indruk was dat hij ter plekke een aan haar opgedragen lied genaamd Ina Sweetass componeerde en wilde spelen voor de camera’s (dit beweert Tjeerd Posthuma op de Bellevue-site, en al zou het uit de duim gezogen zijn, het is zo’n mooi verhaal dat ik gewoon doe alsof het waar is).

Jimi, deurman van Lurelei (prachtfoto is van Nico van der Stam)

Helaas produceerde de band zo veel herrie (Lurelei klaagde over barsten in het plafond) dat besloten werd ze te laten playbacken. Dus heeft niemand ooit het lied Ina Sweetass gehoord – niemand behalve de TV-krachten die “bijna dinsdag” verstonden en dat nog een tijdje zijn blijven zingen – en ging Doe ’t Zelf dankzij Lurelei die dag niet op voor Jimi Hendrix. (Sylvia keerde april 1967 weer terug naar Lurelei na een blauwe maandag Wim Kan en een bevalling, ze heeft Jimi dus net gemist; wie weet hadden we anders het lied Syl Sweetass gehad!)

Hier dan: Bierman!

Er zijn vele varianten op de Wat Zien Ik?-filmposter, maar deze is m’n favoriet.

“…En als u oplet ziet u hier dan, een heel nieuw gezicht en dat hoort bij Ronnie Bierman!” Met dit kreupelrijm introduceerden Rijk en Sylvia de toen 24-jarige Ronnie in Avro Music Hall. Ronnie was net als Sylvia zijdelings het theater binnengedrongen; was Sylvia in de make-up begonnen, Ronnie maakte poppen in de animatiestudio van Joop Geesink. Geesink staat nu vooral bekend om z’n ietwat lullige Loeki-filmpjes, maar hij leerde het vak van de geniale Hongaarse animator George Pal, de uitvinder van de “replacement puppet”-animatie waarbij voor 1 shot tot tientallen verschillende hoofden gemaakt moesten worden. Werk zat dus voor Ronnie.

George Pal-animatiepoppenhoofden

Fast forward naar 1970 en we zien, of beter gezegd horen Ronnie en Sylvia weer samen, in een heel ander soort poppenfilm: de Fabeltjeskrant-bioscoopfilm De Onkruidzaaiers. Twintig jaar vóór ZaZa Zebra en Isadora Paradijsvogel de TV-Fabeltjeskrant binnenliepen kaartte deze film al de allochtonenkwestie aan. Soort van. Het verhaal is een beetje rommelig maar het komt er op neer dat een torrenkolonie het dierenbos inpikt als Juffrouw Ooievaar en consorten op kamp zijn. Door een misverstand met een exploderende stoommachine komt er ruzie, die aan het eind bijgelegd wordt. Het is niet echt duidelijk wat de moraal is en wat de torren voor moeten stellen; hun koppen lijken wat op Duitse helmen maar ze hebben ook iets van zigeuners, vooral de danseres Termita wier door Ronnie ingezongen liedje (zie onder, op 19:53) eigenlijk het hoogtepunt van de film is. (Sylvia’s Oma Tor-stemmetje is een soort voorloper van de oma uit De Familie Knots.)

Het jaar daarop zou Wat Zien Ik? de grote doorbraak betekenen voor Ronnie en Sylvia, maar terwijl Sylvia een soort professionele BN’er werd hield Ronnie zich ver van publiciteit en bekendheid. Zoals zoveel goeie vrienden van Sylvia stierf ze veel te jong, in 1984 op 45-jarige leeftijd. Hier nog even Ronnie in Music Hall in 1963, jong, mooi en sassy:

Meer beer

Meer foto’s van Sylvia als berentemster, een eenmalige act die ze opvoerde tijdens het Nationaal Songfestival van 1973. Er waren meer circusacts met bekende artiesten te zien (bijv Jaap Stobbe op het slappe koord!), maar over het nummer van Sylvia was het meest te doen in de media. Dertien jaar eerder namelijk was zangeres Ria Kuyken bij een vergelijkbare act door beren aangevallen en in haar schouder gebeten. Volgens het Vrije Volk van 27 februari 1973 had Ria Kuyken Sylvia een telegram gestuurd om haar te waarschuwen tegen de gevaren van de berenact!

Ria Kuyken en beer

Sylvia, die nooit iets half deed, was zich echter al grondig aan het voorbereiden. Drie weken lang reed ze dagelijks (!) naar Veenendaal om de ijsberen te voeren.

Dit jaar was besloten om Ben Cramer een aantal liedjes te laten zingen waaruit gekozen moest worden. Het winnende lied werd De Oude Muzikant, geschreven door Pierre Kartner. “Ik zie mezelf wel bij de eerste vijf,” zei Ben, maar het liep anders op het Eurovisie Songfestival. Kartner werd beschuldigd van plagiaat (het lied zou lijken op het thema van de Maigret tv-serie) en Ben eindigde als veertiende. Wat zouden zijn kansen zijn geweest als het tweede nummer, Kom Sylvia Dans Met Mij, had gewonnen? (En heeft Sylvia ook daadwerkelijk met hem gedanst? En zoja, met of zonder beren?)

Wat hoor ik?

Ik ben gek op de Wat Zien Ik-filmmuziek. Hierboven de door mijzelf geripte soundtrack-LP, beetje krakerig maar komt uit een goed hart. De liedjes/stukjes zijn getiteld naar de scenes waar ze in voorkomen, bijv: “Eerste klant komt aan op Schiphol en gaat per taxi naar Greet”, “Nel wordt aangekleed en gaat aan het werk met Greet”, “Piet en Greet liggen in bed te roken” etc. (maar de LP houdt gek genoeg weer niet de volgorde van de film aan!) De muziek past precies bij de film, half zoet, half olala, half kinderlijk (ja dat is anderhalf, weet ik). Het centrale themaatje is bovendien supercatchy en een eersteklas oorwurm. Maar die componist, Julius Steffaro? Een Italiaan? Nooit van gehoord dus maar es aan het googlen. Hij lijkt niet veel gedaan te hebben: deze film, de tune van Floris (ook Verhoeven) en een arrangement hier en daar. Maar dan blijkt dat onze Julius eigenlijk een Nederlander is genaamd Jan Stoeckart (1927-2017), en gaan de sluizen open. Stoeckart ging in de jaren ’50 werken voor het Engelse label De Wolfe, dat zich specialiseerde in zg. Library Music: anonieme achtergrondmuziek die niet in de winkels, maar aan radio/tv-stations etc verkocht werd. Voor dat label schijnt hij zo’n 1200 composities te hebben geschreven en opgenomen.

Julius Steffaro aka Jan Stoeckart

Library Music is sinds een jaar of wat een soort cult geworden onder platenverzamelaars, deels omdat er soms bekende artiesten onder schuilnaam platen voor maakten (bijv Pretty Things als Electric Banana!), maar ook omdat het net lijkt alsof je in een parallel muziekuniversum terechtkomt, met prachtige low-budget (af en toe beetje punkachtige) hoezen en volkomen onbekende namen, merendeels dus pseudoniemen van Jan Stoeckart zoals Julius Steffaro (natuurlijk), Willy Faust, Peter Milray en vooral Jack Trombey. Hij is de bekendste onbekende Nederlandse componist ooit.

Enkele Jack Trombey-platen op het De Wolfe-label

Een Engels gezelschap dat grif gebruik maakte van library music was Monty Python. Zo’n beetje alle muziek in hun tv-serie maar ook in de films is van De Wolfe-platen geplukt. De muziek achter Blackmail, het klaroengeschalmuziekje in Holy Grail, talloze andere sketches, allemaal het werk van onze Jan! Of Julius. Of Jack.