Topless / Bottomless

Maandag 9 oktober 1967 werd er tv-geschiedenis geschreven: in het programma Hoepla was een blote Phil Bloom te zien. Hele land in shock naar verluidt, maar wat vonden wij op Delpher? Een aankondiging van de Hoepla-uitzending waarin het nakende optreden van Phil (en het halfnakende optreden van Soft Machine-drummer Robert Wyatt) al van tevoren werd bekendgemaakt! Licht gevalletje van hype dus misschien? Het knipsel leert ons ook dat op het andere net Sylvia de Leur te zien was in de Ria Valk-show; een keurig gekostumeerd nummer zoals je hieronder ziet; business as usual.

Toen in de jaren ’70 iederéén bloot moest heeft Syl de b(l)oot altijd afgehouden; “ik heb er het figuur niet voor” zei ze; wij denken dat ze gewoon te slim en te nuchter was om toe te geven aan de waan van de dag. Zelfs in de roemruchte Wat Zien Ik-kippenverenscène is ze keurig bedekt, in tegenstelling tot piepkuiken Ronny Bierman.

Sylvia en Ria Valk kenden elkaar al jaren, sterker nog, de carriere van Ria Valk begon in 1958 in ’t Uiltje van Kees Manders waar Sylvia toendertijd als danseres en slangenmens optrad; Ria won de aldaar gehouden Nederlandse Elvis-verkiezing!

Soft Machine-drummer Robert Wyatt zou na een val uit een raam van onderen verlamd raken en zich noodgedwongen op het zingen storten; zijn eerste plaat na het ongeluk noemde hij met veel gevoel voor zwarte humor Rock Bottom – Stenen Reet. Evenals Ria Valk deed Robert Wyatt met veel succes een Elvisnummer, maar dan van Elvis Costello, niet Presley: het hartverscheurende mooie Shipbuilding: (Robert werd gister trouwens 75, alsnoggefeliciteerd!)

Hippies op het Zandpad

Sylvia en Aart, Zandpad, begin jaren ’70 (let op de heerlijke rommelige jarenzeventigheid)

In de jaren ’70 kreeg Amsterdam te maken met een fikse leegloop. Landelijk was in, de grote stad was uit en bouwvallig en vies bovendien. De arbeiders werden weggelokt naar groeikernen als Purmerend en Hoorn, en artiesten (muzikanten, schrijvers, schilders etc) weken uit naar pittoreske huisjes in de Beemster of Broek in Waterland, of nog beter, het vlakbij het Gooi gelegen plassengebied onder de stad. Alle artiesten? Nee, veel toneelspelersters bleven in de vieze, oude stad, samen met de hippies, tasjesdieven en junks, om de simpele reden dat ze daar elke dag werkten. Sylvia de Leur had het het slimst bekeken; zij verhuisde rond 1970 naar een nieuw adres, midden in Amsterdam en toch soort van landelijk: het Zandpad. Een doodlopend pad dat half verscholen langs de “slurf” van het Vondelpark ligt, hoewel het Zandpad al op 17e eeuwse kaarten voorkomt en dus minstens twee eeuwen ouder is. Het is geen straat waar je toevallig doorheen fietst, dus was ik verrast toen ik zag wat voor mooie aparte on-Amsterdamse huizen er staan. Maar in welk van die huizen zouden Sylvia & gezin hebben gewoond?

Nummer 2c, de Orangerie? Eind 19e eeuw gebouwd.

Of nummer 3, het Tuinmanshuis? Ook mooi.

Nr. 3a in ieder geval niet, dat was een rouwcentrum.

Iets verscholen schuin achter 3a ligt nummer 4, het Tuinhuisje.

Prachtig! Maar valt natuurlijk ook af. Nummer 5, ooit Huishoudschool, vanaf de jaren ’70 jeugdherberg. Dan komt er wat nieuwbouw en helemaal aan het eind, bijna bij de Vondelbrug, zien we…

Nummer 7. Laatst nog voor 4,5 miljoen te koop gezet. Nah, veel te groot en te duur, toch? Hoewel, in de jaren ’70 en nog in niet gerenoveerde staat…

Laten we er een krantenartikel uit 1973 bijhalen met een mooie beschrijving van het huis en het pad: “Het bijna onvindbare, hobbelige, smalle keienpad wordt van het park gescheiden door een hek. Aan de andere kant van het pad ziet de wandelaar rouwkamers, verveloze garagedeuren, verzakte duistere panden, zodat je denkt: waar kom ik in vredesnaam terecht? Tenslotte helemaal aan het eind, een tikje inspringend een juweel van een huis, begroeid met klimplanten en barstensvol romantiek. Van de zomer zaten gemoedelijke hippies op de ouderwetse witgeverfde bank in haar voortuin.” Helemaal aan het eind? Dan vallen orangerie, tuinmanshuis en tuinhuis dus af. Zou het dan toch het herenhuis op nummer 7 zijn? Zelfs op de foto anno nu staat er een wit bankje voor. En precies tussen het youth hostel (nu StayOkay) en de bunker onder de Vondelbrug gelegen moet het er in die tijd hebben gekrioeld van de hippies. In 1971 was er flink wat werk van gemaakt om ze van de Dam naar het Vondelpark te krijgen, waar men glansrijk in slaagde, iets té goed zelfs, en met medeneming van de bijbehorende dealers en andere criminelen. Ik vraag me af hoe lang Syl die hippies nog gemoedelijk op die bank heeft laten zitten…

Hippies bij de Vondelbunker, uiterst rechts glimp van Zandpad 7

P. S. Ik had Peter v. A., zelf markant Amsterdammert en groeide in de buurt op, gevraagd of hij me iets kon vertellen over Sylvia en het Zandpad: “Zoon Marino zat bij mijn beste vriend op school en in het Vondelpark demonstreerde hij zijn kunsten op het gebied van messenwerpen, wat hij aardig beheerste. Sylvia heb ik ook een paar keer gezien, ze was in werkelijkheid veel mooier dan op televisie, het was echt een beauty.” Bedankt Peter!

Onze Kleine Neurotica

Voor u opgesnord: programmaboekje van O. K. & W., eerste Lureleiprogramma waar Sylvia aan meedee, negentienzestig en twee. Eerst was ik licht teleurgesteld toen ik de koffievlekken zag, maar toen bedacht ik me: dit is échte Lurelei-koffie, zoniet gezet, dan in ieder geval ingeschonken en geserveerd door een in de pauzes bardienst draaiende Sylvia of Janine in eigen persoon! (Of Silvia en Jeanine, zoals het boekje zegt.) Naast bekende hits als Sto Mpazari en het zeemanslied-in-space Astronautenleed zien we de titel Jij Bent Neurotisch; dit was één van Sylvia’s vroege successen en één van de weinige Lurelei-nummers waar geen enkel spoor meer van terug te vinden is, zelfs de tekst niet, terwijl recensies dit lied in het bijzonder bejubelden:

“Silvia (alweer met i!) de Leur veroverde op slag de zaal in “Sto Mpazari” en “Jij Bent Neurotisch”, waarin zij de onder haar sexegenoten voorkomende hysterica belachelijk maakte.” (Rotterdamsch Nieuwsblad, 1963) “Silvia de Leur spreidde al haar talenten uit in het ‘neurotische meisje'” (De Tijd/ Maasbode) (aha, de ik-figuur in Jij Bent Neurotisch is dus zélf neurotisch)

Nu, met het boekje onder de neus, zien we waarom dit lied verdwenen is: het was geen oorspronkelijk Lureleilied maar een cover, van ene “George” Kreisler. Google leert ons dat Georg Kreisler (driemaal fout gespeld is scheepsrecht) een Oostenrijks-Amerikaanse componist was die vooral in de jaren ’50 succes oogstte met scherpe, komische Tom Lehrer-achtige liedjes. Wat heet Tom Lehrer-achtig, hij schijnt een aantal Lehrerliedjes te hebben “geleend” en in het Duits vertaald zonder vermelding van de originele maker: het fameuze Poisoning Pigeons In The Park werd bij hem Taubenvergiften, en I Hold Your Hand In Mine is bij hem Die Hand. Even gecheckt of Lehrer soms ook You’re Neurotic op zijn naam heeft staan, maar nee, Du Bist Neurotisch lijkt echt door Kreisler zelf geschreven.

Veel zeldzamer dan Jij Bent Neurotisch heb je ze niet…

De door hem zelf gezongen versie is een beetje vlak, maar er is ook een vrouwelijke versie die in de buurt moet komen van hoe de Nederlandse Sylvia-versie klonk:

Vooral het snelle hysterische middenstuk doet je denken: ja, echt een lied voor Sylvia, jammer dat er niks van bewaard is gebleven. Het schijnt dat Aart Gisolf veel opnames maakte vanuit het publiek, in ieder geval van Botanisch Twistgesprek dat op youtube te vinden is; het is te hopen dat er ooit meer boven water komt.

Aan het eind van het lied komt de clou: “Du bist neurotisch, und ich bin psychopathisch/ Das ist sehr demokratisch/ Denn unsre Liebe ist psychosomatisch – Und bei Verliebten nennt man das normal – Ganz normal”. In haar boek I.M. laat Connie Palmen Ischa Meijer (een oude bekende van Sylvia, zoals we al zagen) het volgende zeggen: “Ik ben neurotisch, jij bent neurotisch, maar wij hebben geen neurotische verhouding.” Ook (onbewust) geleend?

(Hier nog ff Sylvia zonder koffievlek)

Leuk waterhoofd

Nu iedereen weer voorgenomen heeft minder te eten leek het ons een mooi moment om het over eten te hebben. En over Sylvia. Over een etende Sylvia. Het film- en TV-oeuvre van Sylvia bekijkend valt het na een tijdje op, dat men het wel heel vaak leuk vond om haar etend en snoepend te vertonen. Blijkbaar moest iemand die sinds jaar en dag onder het toeziend oog van de natie aankwam en afviel wel een smulpaap zijn. Maar was dat wel zo? Zelf zegt ze dat haar molligheid de kop opstak toen ze na haar tijd als acrobate – topsport in feite – niet goed afgetraind had. Hoewel iedereen zei dat die paar extra ponden haar goed stonden dacht ze er zelf anders over: “het is hetzelfde als tegen een kind met een waterhoofd zeggen: wat heb jij een leuk waterhoofd!”

In het boek Rommelpotterij Of Op Hoop Van Zegen (1971), een combinatie van recepten en toneelanekdotes, doet Henk Molenberg – toch één van Sylvia’s beste vrienden – hier vrolijk aan mee:

“Dit wordt een toetje opgedragen aan Sylvia de Leur, net zo’n heerlijke, sappige, geestige lieverd als de mooie Aal uit Bredero’s stuk Moortje. Sylvia heeft mij zo vaak verleid, maar als ze dit leest zal ze zeggen “Nietwaar, jij mij!” Krijgt u nu geen ondeugende gedachtes (Nee hoor Henk), het verleiden vond enkel plaats op ’t gebied van eten, snoepen of zegt u maar verslinden.”

Als hij het zegt zal er wel een kern van waarheid in zitten zullen we maar zeggen. Maar! Één keer kwam het voor dat Sylvia de media te slim af was. In 1985 speelde ze mee in de Willem Ruis Show, een all-star spektakel met Egyptisch thema. Heel voorspelbaar hadden ze haar gecast als voorproefster van Cleopatra/ Sonja Barend. Verbazing alom als er een flink afgeslankte voorproefster Sylvia aan komt geschreden! (Een iets té flink afgeslankte versie misschien? Net als bij de nieuwe Adele-anno-2020 krijg je het idee dat er iets mist, dat het niet de “echte” is…)

Ome Joop, een geit en een jazzband

The Excellos Five, rond 1925; Joop de Leur tweede van rechts

Het heeft ff geduurd, maar eindelijk zijn de jaren twintig dan terug. Ik, uw nederige blogger, ben er helemaal klaar voor: jaren ’20-muziek is al sinds lange tijd een soort rare obsessie van me. Okee, 1 van mijn rare obsessies. Eigenlijk waren de jaren ’20 een soort jaren ’60; alles wat in de sixties gebeurde, van civil rights tot beatniks, beatmuziek, x-rated literatuur en hippies, heeft zijn oorsprong in de roaring twenties. En zoals de beste popmuziek eigenlijk “verkeerd” gespeelde zwarte muziek was, zo is mijn favoriete ’20s-muziek de nét-niet-jazz zoals die vooral door Europese bands gespeeld werd. In Duitsland krioelde het van zulke orkesten, en net zoals vroege rock & roll-artiesten als de Tielman Brothers het benepen Nederland omruilden voor de Bundesrepublik, zo trok in de Jazz Age menig NL jazzmuzikant de grens over. Zo ook de broers Tonny (vader van Sylvia) en Joop de Leur.

Joop de Leur. Één gelijkenis met nichtje Sylvia springt meteen in het oog.

Ome Joop zou veel later, terug in NL, bekend worden als componist (Zuiderzeeballade e.a.) en begeleider van o.a. Lou Bandy, waar hij nichtje Sylvia aan haar eerste Nederlandse showbiz-baantje hielp: ze moest de geit van Lou vasthouden! Bandy, die een hit had met Lou Met De Geit, verlootte bij elk optreden een geit aan het publiek. Wat ik niet over zou hebben voor een foto van de 16-jarige Sylvia met de geit van Lou aan een lijntje!

Lou toen hij nog zelf z’n geit moest vasthouden

Maar ik dwaal af. Joop de Leur speelde piano in de half Belgisch/ half Nederlandse band the Excellos Five, die midden jaren ’20 in het wilde Berlijn furore maakte. Omdat er in Duitsland geen importplaten uit de USA/UK te vinden waren en in Nederland wel, speelden Joop en consorten met een jazz-feel die daar zelden gehoord werd. Vooral de Belgische drummer/leider Robert Kierberg swingde (swong?) er flink op los, jaren vóór de Duitse meneren Dinges zouden weten wat swing is. De platen die de Excellos Five in 1925-’26 opnamen zijn wsch de eerste echte door Nederlanders gemaakte jazzplaten, en góeie ook. (Maar in NL enig benul daarvan hebben, ho maar. Zoals altijd – nederbeat, nederpunk – zijn het buitenlandse liefhebbers die ons erop moeten wijzen.) Joop zou niet lang in de band blijven; hij had een snorretje laten staan en Kierberg beval hem het af te scheren (“het is óf wij allemaal een snor, of niemand!”). Joop hield eigenlijk helemaal niet van dat snorretje, maar hij wilde zich niet laten commanderen en nam eerst ontslag en schoor vervolgens z’n snor af. Er was werk genoeg, Joop zou nog met de grootste orkesten spelen tot de depressie aanbrak en het sappelen werd, waarop hij terugkwam naar NL en ging componeren.

De Excellos Five-opnamen zijn nooit heruitgebracht maar wel grotendeels door verzamelaars op youtube gezet; ikzelf heb, gewoon voor de lol, hun Charleston uit 1925 gecombineerd met een filmpje van een Charlestonnende Sylvia uit 1979! Ziehier:

Fake news! Het wijn-incident

Ter afsluiting van het eerste DeLeurean-jaar hebben we een mooie scoop voor u. Fake news? Alternative facts? Daar draaide Sylvia, in 1974 al, haar hand niet voor om! (Of juist wel, zoals zal blijken.) “SYLVIA DOOPTE ANS” kopte de Telegraaf op de voorpagina. Een expositie van haar vriendin (schilderes/tekenaar/schrijfster) Ans Wortel openend, zwaaide Syl in het vuur van haar betoog met een glas wijn en bevlekte zodoende een kostbare Wortel-gouache. Consternatie, tranen, etc. Onder de 72-punts krantenkop een foto van de twee vriendinnen die er zo te zien alweer om konden lachen. Maar het verhaal heeft een staartje: 45 jaar later kreeg uw blogger van plaatsgenoot en facebookvriend Ko Boos, ex-journalist, tegenwoordig “seriewoordenaar”, te horen dat het hele incident in scene was gezet!

Ans Wortel in 1965

Boos was in 1974 free-lance reporter en had een relatie met Ans achter de rug. Hij zou een artikel over de expo schrijven, maar dat zou op maandag verschijnen en dus verzuipen tussen het sportgeweld. Om niet met een postzegelformaat stukje achterin terecht te komen moest er wat verzonnen worden. Hier Ko Boos zelf:

“De vernissage was op ‘n zondag. Ik was toen ‘n nijvere freelancer en onder meer correspondent van De Telegraaf. Omdat Sylvia de Leur de opening zou verrichten moest er maandag ‘n stukkie in de krant. Die luie flikkers van de kunstredactie schoven zo’n weekendklussie door naar ‘n huurling. Ik. Gòtfer! De maandageditie was één sport, ál sport. Dus zo’n nieuwtje over ‘n penseelgekkie beloofde te worden weggefrommeld als ‘n eenkolommertje ergens achterin. Een dag werk voor ‘n jodenfooi.

Die zondag was ik ruim op tijd aanwezig en trad in overleg met Ans en Sylvia. De schilderes vroeg ik of ze een gouache had die ze kon missen. Die werd met ‘n rotgang uit het atelier Kranenburgh gehaald en kreeg een prominente plaats tegen de expositiewand. Met haar van De Leur nam ik een opzetje door. De gearriveerde fotograaf zei ik z’n toestel op motordrive te zetten.

Opening. De actrice hield, staande voor de wand met de wegwerpgouache, een cabaretesk toespraakje. Glas rode wijn losjes in de hand. ‘En dan verklaar ik’, klaterde ze op z’n Sylvia de Leurs, ‘de expositie NÚ voor geopend!’ Dat NÚ was het sein voor de fotograaf. Want met een theatraal, gracieus gebaar zwierde de actrice haar arm met de hand die dat glas omvatte hoog in het zwerk. Doorschietend tot achter heur hoofd. Een straal dieprode wijn lanceerde zich door de galerie en plensde tegen de gouache.

Consternatie van jewelste.

De Leur barstte in tranen uit. Daar was ze actrice voor. De kunstenares wreef met ‘n sjaal, afgegrist van een der aanwezigen, de rooddruipende vlek op haar kunstwerk kippedriftig wat groter. Daarna troostte ze de nòg luider wenende dramatrice: ‘Kùt, meid! Stil nou maar. Als je ‘n ander was geweest had je al buiten gelegen’.”

“En uit m’n herinneringen kwamen ze en al m’n hoofden had ik nodig om ze te herinneren”, Ans Wortel, 1971

Fake nieuws dus, maar wel fake nieuws op de voorpagina over vier kolommen. Verbijsterd als ik was om dit verhaal te horen en nog wel uit de mond van iemand die ik ken, heb ik Ko nog wat vraagjes gesteld waarop hij op zeer royale wijze antwoord gaf (waarvoor dank!):

Kende je Sylvia zelf persoonlijk?

Sylvia behoorde niet tot mijn inner circle, ze maakte wel deel uit van de wat rommelige Rolodex van Ans. Meiden van enige arty-statuur kwamen elkaar in die jaren tegen op podia of achter de meest onverdachte coulissen, en raakten allengs redelijk ‘bruikbaar bevriend’.

Met Ans, daarentegen, was ik een reeks van jaren hecht. Wanneer ik heur in Huis Kranenburgh te Bergen bezocht bracht ik, zomer of winter, een ijstaart mede. Dat was traditie geworden. Er werd tot in de kleine uren gezopen, dus meestal bleef ik voor ‘n nachie. Kommakkelek. Ze beschikte over een in de vloer verzonken, kamerbreed bed waar je zo in kon wandelen.

We onderhielden een handgeschreven correspondentie van knetterende letteren. Haar brieven ben ik kwijt; of de mijne tussen heur bescheiden zijn aangetroffen nadat ze in december ‘96 op eindreis ging weet ik niet. Beter van niet.

Voordat ze Kranenburgh betrok woonde ze in ‘n allerakeligst klein, bedompt, raamloos kamertje te Alkmaar. Dat meed ze zo veel mogelijk; de avonden en nachten vonden haar terug in een plaatselijke nachtclub. Daar ontmoette ik haar dan ook voor de eerste maal. Haar gouaches vertolkten toen haar omstandigheden: ze hadden geen ruimte, geen horizon. Dat veranderde op slàg toen ze in 1969 Kranenburgh betrok.

Ze raakte wat ruimer in de slappe was en had een autootje gekocht. Na een doorwaakte nacht kreeg ze het in haar kop om even schoenen te gaan kopen. In Parijs. Haar zus ging mede omdat ze dat van Ans moest. Gàs! Op de terugweg reed ze in België fullspeed tegen ‘n hoop kasseien op die daar op de heenweg nog niet gelegen had. Kop in elkaar, onder andere. Ze verliet het hospitaal met een link oog. Dat traande sindsdien.

Vandaar de latere gouaches met tranende hoofden.

Ans Wortel was behalve schilderes ook schrijfster, en sommige (ellenlange) titels van haar werken zijn even prachtig als het schilderwerk zelf. Hebben jullie wel eens samengewerkt, bijv aan die titels?

Over de teksten onder haar werk hebben we inderdaad wel gefilosofeerd. Met name tijdens de laatste Kranenburgh-jaren werden ze kwaaiïg, cynisch van toonzetting. Het wilde beest dat in haar hurkte is nooit getemd.

Was Sylvia makkelijk over te halen tot de wijn-act? Er zijn vrouwen voor minder gebrandmerkt als drankorgels in de NL entertainmentbizz…

Dat geintje met Sylvia tijdens die vernissage: daar had De Leur geen enkele moeite mee. Integendeel: ze zag er de mercantiel-kunstzinnige bedoeling wel van in. En ze kweet zich bewonderenswaardig levensecht van die act, tot en met de tranen.

Hé kijk, een Bantzinger

Sylvia de Leur getekend door Cees Bantzinger. Aan het jaartal te zien speelde ze op dat moment in Hé Kijk Mij Nou; dat hij met een paar lijntjes Sylvia perfect weet neer te zetten bewijst dit screenshot van de tv-bewerking ervan:

Behalve dat Sylvia in Hé Kijk Mij Nou een veeleisende dubbel(-hoofd-)rol speelde, voerde ze ook nog een virtuoze tapdans uit met kauwgum aan d’r schoen, volgens sommige recensenten het hoogtepunt van de show.

Cees Bantzinger (1914-1985) was in de jaren ’40/’50 een bekend illustrator die, net als illustere collega’s als Eppo Doeve en Jo Spier, veel voor tijdschriften werkte in de tijd dat ze nog meer tekeningen dan foto’s afdrukten. Hij had een voorliefde voor toneel én voor vrouwen, en tekende vaak tijdens voorstellingen; zijn (tweede) vrouw Jetty Paerl was zangeres en had ooit de eer het allereerste lied op het allereerste Eurovisie Songfestival te zingen.

Portret & zelfportret Cees Bantzinger
Jetty Paerl

Maar ver daarvóór had Jetty al nationale faam verkregen als “Jetje van Radio Oranje”; in WOII zong ze vanuit Londen anti-naziliederen als Op De Hoek Van De Straat Staat Een NSB’er. Hoewel Cees Bantzinger ook in het verzet actief was, achtervolgde een onbezonnen misstap hem tot in de jaren ’80 en een tragisch einde, zoals te lezen valt in zijn biografie:

Biografie

Duitse dieren(haatster)

Volgens de gangbare definitie van allochtoon (een persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland geboren is) is mijn vriendin allochtoon (niet-Westers nog wel), en haar dochter ook (Duitse vader). Ook is de helft van mijn neefjes en nichtjes allochtoon. Sylvia de Leur was een allochtoon, ze had een Duitse (of Poolse, net hoe de grenzen lagen) moeder. Zo bezien heeft het iets potsierlijks, iets willekeurigs als er weer eens “de allochtonen moeten dit, de allochtonen moeten dat” geroepen wordt. Je zou net zo goed “mensen met rood haar moeten dit en dat” kunnen roepen. Integreren? We moeten allemaal integreren! (Maar ook weer niet te veel…) Wat deed Sylvia er eigenlijk aan om te integreren toen ze op haar vijftiende naar Nederland kwam? Allereerst leerde ze perfect Nederlands spreken, misschien zelfs iets té perfect, ze heeft altijd een hele nette dictie gehouden. In het gezin De Leur was zij de enige die goed Nederlands kon; haar vader, violist Tonny de Leur, was na dertig jaar buitenland het Nederlands zo goed als verleerd (té goed in het buitenland geintegreerd dus!).

Cameo vader De Leur in Wat Zien Ik

Verder drong vader er op aan dat er een diploma gehaald moest worden, maakte niet uit waarin, in NL moet je een papiertje hebben. Dus haalde Sylvia haar diploma schoonheidsspecialiste (haar enige). Was Sylvia geslaagd in haar integratie? Ondanks haar mooie diploma sloeg ze direkt na het behalen ervan aan het beunhazen op het toneel ipv passend werk te vinden, niet erg Nederlands! Haar accentloze uitspraak zorgde er wel voor dat ze zelden op het toneel als buitenlandse werd neergezet, in tegenstelling tot bijv Donald Jones, die door zijn knoeperd van een accent juist een nationale knuffelallochtoon werd (en Rudi Carrell die in Duitsland de nationale knuffelallochtoon werd). Uitzondering daarop was een sketch in Avro Music Hall (1963) waarin ze als Duitse dierenhaatster een dierenprogramma gepresenteerd door Rijk de Gooijer en Ronnie Bierman moest verstoren. De sketch is niet echt leuk, maar haar Duitsnederlands is perfect (waarschijnlijk deed ze haar moeder na?)

(P.S.: Bij Lurelei werd Syl ook al eens als dierenhaatster neergezet, gek eigenlijk; naar verluidt was ze gek op dieren, hier het bewijs:)

Olé!

Van Sylvia is op één of andere manier in ons collectieve geheugen blijven hangen dat ze constant spelprogramma’s, quizzen, reclames en kluchten deed. Okee, die spelletjes en quizzen, dat klopt misschien, maar kluchten? Misschien twee of drie. Okee, vier of vijf. Eén van de eerste was in ieder geval De Spaanse Vlieg, in 1973 live opgevoerd voor de Vara-TV die het gat moest zien op te vullen dat achtergelaten was door Eén Van De Acht. In de kritieken werd het stuk ofwel opgehemeld óf finaal de grond in geboord, en als je het ziet snap je waarom. Bij het fenomeen klucht geldt: je moet je er willoos aan overgeven, anders wordt het niks. Zoiets als paintball, of grindcore. (Dat de klucht niet als een minderwaardig genre gezien werd blijkt trouwens uit de aanwezigheid van Grande Dame van het toneel Ank van der Moer.) Minstens zo belangrijk als het stuk op zich is de mimiek en het geschmier van de spelerssters, en dat hadden ze hier goed begrepen; in de laatste akte, waarin Sylvia (als de na 25 jaar teruggekeerde femme fatale, de Spaanse Vlieg) onder luid applaus ten tonele wordt opgevoerd, wordt bijna aan één stuk door hysterisch geschreeuwd, gelachen, gevochten en gedanst; dompel jezelf er in onder of je bent reddeloos verloren.

Sylvia en Ank van der Moer (mooi stel: de eerste ooit die “neuken” op het toneel zei, samen met de eerste die “lul” op het toneel zei!)
En daar is Allard van der Scheer weer…
…en Henk Molenberg
Jules Hamel, gewelddadige pooier van Sylvia in Wat Zien Ik, speelt hier haar lulletje rozenwater-zoon.