
Sylvia trouwde twee keer, beide keren op dezelfde plek. De eerste keer was voor het echie, de tweede keer voor de film. Haar huwelijk met Aart Gisolf was een “moetje”; ze had hem leren kennen bij het Amsterdams Studentencabaret waar ook goeie vriendin Hedy d’Ancona en Lurelei-muzikant Han Reiziger zaten. De trouwerij werd dan ook een studentikoze bedoening; het studentencorps van Aart zorgde voor de muziek, en als huwelijkskado’s kregen ze o.a. een bruin brood van Rob van Reyn en een goudvis in een melkfles van travestie-artiest Hugo van Mondfrans (“haal hem er wel gauw uit, anders groeit hij krom!”).

Het Amsterdamse stadhuis zat in die tijd – vanaf de toeëigening door Lodewijk Napoleon van het Stadhuis op de Dam tot de opening van de Stopera in 1988 – in de Prinsenhof aan de Oudezijds Voorburgwal, een gebouw dat uit de 17e eeuw stamde maar in de jaren ’20 een fikse uitbreiding kreeg in Amsterdamse School-stijl, waaronder een prachtige trouwzaal met glas-in-lood-ramen en wandschilderingen door de beroemde art deco-kunstenaar Chris Lebeau.


Bij het filmen van de trouwscène van Sylvia (Nel) en Bernard Droog (Bob) in Wat Zien Ik werd dankbaar gebruik gemaakt van het fotogenieke stadhuis, ironisch genoeg de enige écht op de Wallen gelegen filmlokatie. Je ziet de auto’s (eerst die van het bruidspaar, dan die van kwade pooier Sjaak) door de poort de binnenplaats op rijden en in de deuropening zorgen de “meisjes van het confectie-atelier” dit keer voor de muziek. De glas-in-loodramen in de trouwzaal vormen een prachtige achtergrond bij het jawoord.





De film-trouwerij vond precies 10 jaar na de echte trouwerij plaats. Hoe moet het voor Sylvia hebben gevoeld om op precies dezelfde plek nog eens te trouwen, maar nu zogenaamd? Bert Jansma schreef voor de Leidse Courant een mooi ooggetuigeverslag van de draaidag, waarin zowaar beide trouwpartijen samen komen:
“Inmiddels mag Sylvia de Leur een keer of twintig in lila bruidstoilet uit de auto stappen. Ze blijft stralen, hoewel de wind haar sluier alle kanten opwaait. Ze wordt ontvangen door het koortje van lichte meisjes met het fraaie rijm: Wij zijn de meisjes van het confectieatelier, wij brengen hulde als Nel gaat trouwen, wij zijn de meisjes van het confectieatelier, wij brengen hulde – Hoezee! De welkomstscene wordt uitentreure gerepeteerd en na ieder Hoezee spoeden de acteurs zich naar binnen in het warme stadhuis. Sylvia de Leur kijkt uit het raam: “Kijk, daar komt mijn echte man!” Ze loopt weg van filmechtgenoot Bernard Droog en zwaait. “Kijk, hij krijgt er een kleur van. Eerlijk gezegd voel ik me ook een beetje raar.”

(P.S.: Het liedje van de meisjes van het confectieatelier vertoont een vage gelijkenis met het lied Wij Zijn De Meisjes Van Het VVV, door Sylvia en Ronny Bierman acht jaar eerder in AVRO Music Hall gezongen; in dit lied vraagt Aart Brouwer als Amerikaanse toerist de weg naar de Oudezijds – maar vermoedelijk niet om te trouwen…)