Majesteitsstennis

Het Heiligste Huisje naast de kerk was begin jaren ’60 natuurlijk het koningshuis. En zoals Lurelei opstootjes veroorzaakte met het goedmoedig spotten met de kerk, zouden ze ook de natie over zich heen krijgen met wat eigenlijk een – zeker voor Lurelei-begrippen – heel lief liedje over de koningin was. Iets eerder al kwam in de Lurelei-TV-show een sketch langs waarin een echtpaar, gespeeld door Sylvia de Leur en Eric Herfst, overweegt hun tweede huis weg te geven. Gaandeweg snap je hoe de vork in de steel zit: hun tweede huis staat in hartje Amsterdam, en omdat ze er bijna nooit komen stellen ze voor het aan de stad terug te geven. Omdat ze volgens typisch minimalistisch Lurelei-gebruik niet met alle toeters en bellen van dien verkleed zijn maar alleen subtiel herkenbaar aan de anjer in het knoopsgat van Eric Herfst, denk je pas halverwege: ah, Juliana en Bernhard!

De sketch is niet meer dan een plaagstootje, maar moet in 1964 behoorlijk rebels zijn overgekomen. Al snel echter zou Lurelei keihard links ingehaald worden door de Provo’s en andere relschoppers, die in de beproefde Wild One-traditie (“What are you against?” “What have you got?”) elk excuus aanpakten om stennis te maken. En wat diende zich daar op precies het goeie moment aan: een Duitse prins-gemaal in spe! 10 Maart 1966 zou een historische datum worden, niet vanwege de trouwpartij van Beatrix en Claus, maar vanwege de relletjes en rookbommen. En vanwege wat misschien wel het bekendste Lurelei-lied zou worden (al is het toen nooit uitgebracht): Arme Ouwe. Niet alleen lief, bijna teder, qua tekst (u kent het wel maar ff kort: Provo vindt dat Juliana op z’n moeder lijkt), maar ook muzikaal veel mooier en interessanter dan de meeste eerdere “de bakker sloeg z’n wijf”-Lurelei-wijsjes. Maar ja, aangezien de meeste mensen niet luisteren maar alleen horen wat ze willen horen (“schande, ze noemen de koningin een koe!”) werd het de grootste rel in de Lurelei-geschiedenis. Sylvia zat er toen al sinds een jaar niet meer bij, op dat moment deed ze allerlei klusjes en schnabbels, zoals bijv een Siamese tweeling-act in de rechtstreekse TV-feestshow ter gelegenheid van het Bea-Claus-huwelijk! In twee jaar tijd van rebel naar establishment…

(Gerard Cox, zanger van Arme Ouwe, zou een paar jaar later op zijn beurt de overstap naar de mainstream maken met het lied 1948 (Toen Was Geluk Heel Gewoon), geschreven en oorspronkelijk met de tong ferm in de wang gezongen door Wim de Bie en ex-mede-Lureleier Kees van Kooten.)

Slaving for bread, the Israelites

Eric Herfst op bezoek bij Sylvia de Leur, die januari 1968 wegens een verwaarloosde longontsteking was opgenomen in het ziekenhuis. Eric in stoere leren sixtiesjas (en met stoere sixtiesbakkebaarden), Sylvia een aandoenlijk vogeltje. Ze verwachtte met tien dagen wel weer op het Lurelei-podium te staan, maar die tien dagen werden twee maanden; ze was toch zieker dan ze dacht. Misschien was het een algehele meltdown na dertig jaar (vanaf haar vijfde) keihard werken. “Get up in the morning/ slaving for bread”, zoals Desmond Dekker datzelfde jaar zong, en dat gold voor Sylvia af en toe letterlijk; in en vlak na WOII werd ze als rondzwervend varieté-artiest vaak in brood en pap uitbetaald.

De kranten vermeldden dat ze was opgenomen in de Centrale Israelitische Ziekenverpleging, waar ik nog nooit van gehoord had. Een ziekenhuis voor Joden? Sylvia was kwart-Joods, haar Joodse oma van vaderskant trouwde met een katholiek (de Mulisch-oneliner “ik ben de Tweede Wereldoorlog” gaat nog meer voor de Joods-Nederlands-Duits-Slavische Sylvia dan voor Harry op). De CIZ werd in 1916 geopend aan de Jacob Obrechtstraat, “ten behoeve van beter gesitueerde joden; deze konden zich daar volgens de Joodse religieuze wetten laten verplegen” aldus Wikipedia. Luguber genoeg gebruikten de Duitsers het ziekenhuis in WOII om gemengde stellen te steriliseren. Na WOII was het hospitaal een tijdje opvang voor overlevenden uit de concentratiekampen, waarna het weer als vanouds in gebruik werd genomen. Maar Sylvia leefde toch helemaal niet “volgens de Joodse religieuze wetten”? Hoe kwam ze daar dan terecht?

Ingang CIZ (gesloopt in 1980 om plaats te maken voor het Jellinekhuis)