Het Heiligste Huisje naast de kerk was begin jaren ’60 natuurlijk het koningshuis. En zoals Lurelei opstootjes veroorzaakte met het goedmoedig spotten met de kerk, zouden ze ook de natie over zich heen krijgen met wat eigenlijk een – zeker voor Lurelei-begrippen – heel lief liedje over de koningin was. Iets eerder al kwam in de Lurelei-TV-show een sketch langs waarin een echtpaar, gespeeld door Sylvia de Leur en Eric Herfst, overweegt hun tweede huis weg te geven. Gaandeweg snap je hoe de vork in de steel zit: hun tweede huis staat in hartje Amsterdam, en omdat ze er bijna nooit komen stellen ze voor het aan de stad terug te geven. Omdat ze volgens typisch minimalistisch Lurelei-gebruik niet met alle toeters en bellen van dien verkleed zijn maar alleen subtiel herkenbaar aan de anjer in het knoopsgat van Eric Herfst, denk je pas halverwege: ah, Juliana en Bernhard!
De sketch is niet meer dan een plaagstootje, maar moet in 1964 behoorlijk rebels zijn overgekomen. Al snel echter zou Lurelei keihard links ingehaald worden door de Provo’s en andere relschoppers, die in de beproefde Wild One-traditie (“What are you against?” “What have you got?”) elk excuus aanpakten om stennis te maken. En wat diende zich daar op precies het goeie moment aan: een Duitse prins-gemaal in spe! 10 Maart 1966 zou een historische datum worden, niet vanwege de trouwpartij van Beatrix en Claus, maar vanwege de relletjes en rookbommen. En vanwege wat misschien wel het bekendste Lurelei-lied zou worden (al is het toen nooit uitgebracht): Arme Ouwe. Niet alleen lief, bijna teder, qua tekst (u kent het wel maar ff kort: Provo vindt dat Juliana op z’n moeder lijkt), maar ook muzikaal veel mooier en interessanter dan de meeste eerdere “de bakker sloeg z’n wijf”-Lurelei-wijsjes. Maar ja, aangezien de meeste mensen niet luisteren maar alleen horen wat ze willen horen (“schande, ze noemen de koningin een koe!”) werd het de grootste rel in de Lurelei-geschiedenis. Sylvia zat er toen al sinds een jaar niet meer bij, op dat moment deed ze allerlei klusjes en schnabbels, zoals bijv een Siamese tweeling-act in de rechtstreekse TV-feestshow ter gelegenheid van het Bea-Claus-huwelijk! In twee jaar tijd van rebel naar establishment…
(Gerard Cox, zanger van Arme Ouwe, zou een paar jaar later op zijn beurt de overstap naar de mainstream maken met het lied 1948 (Toen Was Geluk Heel Gewoon), geschreven en oorspronkelijk met de tong ferm in de wang gezongen door Wim de Bie en ex-mede-Lureleier Kees van Kooten.)
Eric Herfst op bezoek bij Sylvia de Leur, die januari 1968 wegens een verwaarloosde longontsteking was opgenomen in het ziekenhuis. Eric in stoere leren sixtiesjas (en met stoere sixtiesbakkebaarden), Sylvia een aandoenlijk vogeltje. Ze verwachtte met tien dagen wel weer op het Lurelei-podium te staan, maar die tien dagen werden twee maanden; ze was toch zieker dan ze dacht. Misschien was het een algehele meltdown na dertig jaar (vanaf haar vijfde) keihard werken. “Get up in the morning/ slaving for bread”, zoals Desmond Dekker datzelfde jaar zong, en dat gold voor Sylvia af en toe letterlijk; in en vlak na WOII werd ze als rondzwervend varieté-artiest vaak in brood en pap uitbetaald.
De kranten vermeldden dat ze was opgenomen in de Centrale Israelitische Ziekenverpleging, waar ik nog nooit van gehoord had. Een ziekenhuis voor Joden? Sylvia was kwart-Joods, haar Joodse oma van vaderskant trouwde met een katholiek (de Mulisch-oneliner “ik ben de Tweede Wereldoorlog” gaat nog meer voor de Joods-Nederlands-Duits-Slavische Sylvia dan voor Harry op). De CIZ werd in 1916 geopend aan de Jacob Obrechtstraat, “ten behoeve van beter gesitueerde joden; deze konden zich daar volgens de Joodse religieuze wetten laten verplegen” aldus Wikipedia. Luguber genoeg gebruikten de Duitsers het ziekenhuis in WOII om gemengde stellen te steriliseren. Na WOII was het hospitaal een tijdje opvang voor overlevenden uit de concentratiekampen, waarna het weer als vanouds in gebruik werd genomen. Maar Sylvia leefde toch helemaal niet “volgens de Joodse religieuze wetten”? Hoe kwam ze daar dan terecht?
Ingang CIZ (gesloopt in 1980 om plaats te maken voor het Jellinekhuis)
“…het mollige meisje Sylvia de Leur, dat een stemmetje heeft dat een mens door merg en been snerpt”, aldus een krant in 1962, toen Sylvia net bij Lurelei was begonnen. Ze was nog maar amper bekend maar het leek of haar stem al een paar stappen voor haar uit snerpte; het snerpen zou al snel een handelsmerk worden. Persoonlijk vind ik dat Sylvia een heel mooi stemgeluid had, je moet er alleen wel naar zoeken tussen het gesnerp door. Net als haar uiterlijk heeft haar stem iets exotisch, iets Oost-Europees. Als ze zacht praat of in haar lage register zingt hoor je het; helaas moest ze meestal hard praten en hoog zingen.
Volkskrant, 1962
Getergd door het snerpstempel zong Sylvia niet graag, en dus heeft ze weinig platen gemaakt. Jammer want in het vluchtige theatervak is een lied, een hit, een van de weinige wegen naar onsterfelijkheid. Jenny Arean, Gerard Cox; ze kunnen nog zo veel gedaan hebben, wij kennen ze van Vluchten Kan Niet Meer en Broekje In De Branding. Zonder gedenkwaardige liedjes vervliegen al Sylvia d’r toneelprestaties, al deed ze nog zo d’r best, en ze deed altijd d’r best. Één van de weinige liedjes die ze opnam heette trouwens Doe Toch Je Best! Het is Sylvia op haar allersnerpendst, als schooldirectrice in de tv-versie van het Dagboek Van Joop ter Heul (1968). Het nummer heeft een mooie ragtime-achtige sfeer (oorspronkelijke versie heet Deep Down Inside uit de musical Little Me, waarvan het boek door Neil Simon was geschreven die later Last Of The Red Hot Lovers schreef, het eerste theaterstuk waar Sylvia in speelde, maar dit terzijde!)
Vroeger, als stripverhalen verslindend knulletje, viel het me al op: terwijl er een oneindige variatie aan mannelijke typetjes in die strips rondliep, hadden de meeste tekenaars maar twee soorten vrouw in hun repertoire: de Vamp en het Viswijf. Later ontdekte ik dat dat voor comedy ook geldt: hoewel meestal schlemielen, zien mannelijke komieken er vaak verder gewoon uit als zichzelf, niet bijzonder potsierlijk of lelijk gemaakt. Bij comediennes ligt dat anders, dat zijn óf sexy stoeipoezen óf afstotelijke wezens met knotjes en wratten (zie bijv Annet Malherbe in Debiteuren/Crediteuren als Juffrouw Jannie – naam niet toevallig van een stripfiguur geleend). Sylvia de Leur was een leuke verschijning maar in Avro’s Music Hall moest ze het voetlicht delen met de slanke, langbenige Janine van Wely, en dús werd Syl ingedeeld als het lelijkerdje. In een sketch met André Carrell (vader van…) staat Syl groteske bekken te trekken in de weerspiegeling in haar bokaal terwijl Janine bevallig lacht en haar benen etaleert.
Maar Janine zou begin 1963 plotsklaps op hetzelfde moment zowel uit Music Hall als uit het Lurelei-cabaret verdwijnen. Niemand weet meer waarom; in het geval van Lurelei schijnt ze boos te zijn weggelopen, de volgende dag was Sylvia in haar plaats aangenomen (voor vast, ze had er al eerder invalwerk gedaan). In Music Hall werd Janine van de ene op de andere aflevering vervangen door Ronnie Bierman. Syl en Ronnie hebben dus eigenlijk hun carrières aan Janine te danken!
Janine en tuba, 1974
Janine moet een eigengereide vrouw zijn geweest, ze combineerde het alleenstaande moederschap met het maken van beeldende kunst en dook nog sporadisch op op het toneel, om in de jaren ’70 op tv haar draai te vinden als het Giulietta Masina-achtige clowntje Plom, het zusje van Pipo. Ze volgde dus het tegenovergestelde traject als Sylvia, van theater naar circus. Al snel evenaarde haar populariteit die van Cor Witschge (die naar het schijnt niet erg vriendelijk tegen haar was, 1 Pipo vond hij wel genoeg) wat behalve aan de kleine kijkers misschien ook aan hun vaders heeft gelegen, want haar benen kwamen ook hier steevast prominent in beeld.
In de aan Sylvia de Leur gewijde Show Van Je Leven ontrolde Astrid Joosten ooit een vijftien meter lange fax met daarop een opsomming van Sylvia’s oeuvre; “Allemaal geweest! Weg ermee!” reageerde Syl lachend. Na het overlijden van collega Adèle Bloemendaal ging er een internetmeme rond met de beroemde Adèle-uitspraak “Hoe ik herinnerd zal worden? Dat interesseert me geen reet!” Het verschil tussen de uitspraken van Adèle en Sylvia ligt hem hierin, dat Adèle zeker leek te zijn dat ze TOCH wel herinnerd zou worden; Sylvia daarentegen leek zich neer te leggen bij de vergetelheid, haar carrière een berg verfrommeld papier.
Je kan het je nu niet meer voorstellen, maar in de jaren ’60 keek niemand er van op als een tijdschrift het privéadres van een BN’er plaatste.
Ondanks (of dankzij?) hun verschillende karakters werden Adèle en Sylvia vaak in één adem genoemd, maar al waren ze even oud en zaten ze in dezelfde “scene”, ze hebben eigenlijk maar heel weinig samengewerkt. Beide speelden ze bij Lurelei en (veel later) in Vreemde Praktijken, maar nooit tegelijk.* (Ze zaten samen in de tv-serie Beppie, maar daar speelde Sylvia een geest die alleen zicht- en hoorbaar was voor haar man, gespeeld door Johnny Kraaykamp; strikt gezien dus ook geen samenspelen!) Wat ze wel echt samen hebben gedaan is een reeks tv-reclames voor Wehkamp begin jaren ’80; dat zal dus het Adèle & Syl-duo-idee in ons collectieve geheugen verklaren (zo zie je maar weer wat er uiteindelijk blijft hangen).
Jacques Klöters schreef begin jaren ’90 een prachtige monoloog voor Adèle waarin ze vertelt hoe ze samen met Sylvia als twee grannies from hell de stad onveilig maakt, alweer als duo dus. Jacques heeft de tekst laatst integraal op z’n openbare facebookpage geplaatst, dus voelden we ons vrij de tekst over te nemen:
SEX-HOOLIGANS
Wat ik in mijn leven over heb gehad voor het mannelijk geslacht! Mon dieu! Ik nam 3 wortels per dag tot mij, ontslakte me met eng bronwater en smerig smakende siropen die aan bomen in Canada waren onttrokken Ik heb in sportscholen dagelijks aan apparaten gehangen die in de kelders van slot Loevestijn geexposeerd hadden moeten worden. Wij vrouwen betalen een hoge prijs om onze jeugd te behouden. Je strompelt kreupel een sportschool uit. Wie zit daar geparkeerd in zijn vuurrode Ferrari Testa Rossa te wachten? Een leeftijdsgenootje. Een 57-jarige man. En waar gaat hij zo dadelijk zijn verdorven lust op botvieren? Niet op mij, maar op een blond dingetje van 24. Wat heeft die 57-jarige man dat hem zo aantrekkelijk maakt? Springt hij zich net als wij 6 uur per dag de koelere in de aerobic-les? Zo te zien niet (met een hoog stemmetje:) “Het zit hem niet in het uiterlijk, Jan-Jaap heeft andere kwaliteiten”. Creditcards!! en haar! Ze hebben overal haar. Behalve waar het moet zitten. Borsthaar, okselhaar, wenkbrauwhaar, oorhaar en neushaar. Het groeit en bloeit als brandnetels in een natte zomer. Hij heeft ook zo’n eng plukje haar onder aan z’n rug, vlak boven de bilnaad. U weet wel die bilnaad die zo appetijtelijk uit zijn broek te voorschijn komt als hij zich voorover buigt in zijn bermudashort om een creditkaart op te rapen. Overal haar. Behalve op zijn hoofd. Zijn er dan geen smakelijke mannen van 57? Jawel Donald Jones. Dus het kan wel. Maar die heeft weer niet zo veel creditcards. Het is veel minder gebruikelijk dat vrouwen van 57 een lekker joch uit laten dan omgekeerd. Dat komt omdat wij vrouwen daarin altijd te passief geweest zijn. We moeten meer geweld gebruiken. Niks thuis zitten dreinen omdat de wandelende creditkaart er vandoor is met zo’n beugelbekkie bouwjaar 1969. Heb ik nooit gedaan. Erop af! Aktie! Nachten heb ik rond gehangen bij discotheken. Met Sylvia de Leur. Is net zo fanatiek als ik. Ze heeft laatst in het Vliegenbos nog een parkwachter seksueel gemolesteerd. Als wij samen op het “slechte pad” zijn! Laatst nog in de P.C. Hooftstraat. Herenmodezaak. Daar stond me toch een heerlijkheid! Lekkere hoge kont, beetje brede schouders, geen greintje vet op de buik, alleen behaard waar het moet, een lekkere sloddervos, mmwhaaaa! We zijn de zaak binnen gegaan, Syl en ik, we hebben de knul aan de gordijnrails gebonden van het kleedhokje en veelvuldig misbruikt. Syl zegt altijd: een echte volwassen relatie is het nog niet maar het beginnetje is er. Voor mij hoeft het niet, een vaste relatie. Syl is ook gelijk zo van kadootjes. Ze heeft laatst nog een knul voor zijn verjaardag een tatoeage gegeven. Ik niet. Van mij krijgen ze niks. Geen oorbellen, geen sexondergoed. Nou ja één keer, die vier koreaanse acrobaatjes, ik had ze alle hoeken van hun kleedkamer laten zien en toen heb ik ze alle vier een kadootje gegeven… Een maliën-slipje helemaal gemaakt van chromen ringetjes. Maar normaal gesproken krijgen m’n veroveringen niks van mij. Ja de zak. Nee, ik hoef niets vasts. En zeker niet iets rijps. Het enige wat het leven op deze leeftijd nog de moeite waard maakt is ontucht! Ik heb laatst een glazenwasser dwars door de ramen bij me naar binnen getrokken. Voor ie wist wat er gebeurde lag ie op bed, z’n spons nog in z’n hand. “Ja maar heb je dan niet eerst behoefte aan een leuk gesprek en zo? Dinner by candlelight?” Bullshit! Rasch ins Bett! De daad bedrijven en afnokken maar weer. Ik heb laatst nog een leuke jonge koerier van zijn bromfiets getrokken. Hij mocht zijn helm erbij ophouden. Ik kan het iedereen aanbevelen. Niet afwachten vrouwen. Aanvallen! Grijp die 24 jarige magazijnbediende met die opengeknipte spijkerbroek waar je nog net een klein stukje bil bij ziet! Anders doet Sylvia de Leur het! Laten we met z’n allen op zaterdagavond amok gaan maken! Rampokkend en verkrachtend door de stad trekken. Wij sexhooligans! Wij Grannies from Hell! Pak de verkering van je dochter voordat z’n vader jouw dochter pakt. Kijk je wordt natuurlijk ouder, maar als je in gedachten gewoon achttien blijft dan slaap je net als ik nog wel eens een nachtje met een jonge politieagent op het bureau.
(* P.S.: Sylvia en Adèle werkten wél samen bij Lurelei, winter/voorjaar 1964 viel Adèle in voor de zwangere Jasperina, zie onderstaande foto & knipsel. Ook grappig: de schrijver klaagt over het deels onverstaanbare slotnummer; aangezien dat nummer van begin tot eind in een brabbeltaaltje gebracht werd vraag je je af welk deel dan wél verstaanbaar was 🙂
Joop van Bilsen kiekte Sylvia thuis op de bank voor een Parool-interview, april 1965. Omdat de foto in hoge resolutie op wikimedia te vinden is geeft het een fascinerend inkijkje in haar leven. Op het eerste gezicht heeft het een mooi jaren ’60-sfeertje, maar je ziet ook dat ze het niet breed hadden; er ligt een deken over de bank (op een andere foto piept er net een stuk versleten bank onder uit) en het tafeltje rechts is als je beter kijkt eigenlijk geen tafeltje maar een plank die aan één uiteinde op de bank rust.
(Er zijn drie foto’s, op één lacht ze uitbundig en op een ander lijkt ze iets te roepen; deze is m’n favoriet omdat hij in een onbewaakt moment genomen lijkt te zijn.) Sylvia was rond 1965 in haar eerste flush of fame, ze deed veel TV-werk en maakte 7 avonden in de week furore op het Lurelei-podium. Maar het zichzelf bedruipende, ongesubsidieerde Lurelei betaalde zijn eigen leden een schijntje om zo veel mogelijk geld op te kunnen te sparen; Sylvia verdiende minder dan bijv. een simpele kantoorbediende, wat ook de reden was voor haar vertrek naar Wim Kan later dat jaar.
Een oud fotoalbum ligt opengeslagen; we zien de Godfried de Groot-glamourfoto die hier al eerder langskwam (maar toen in spiegelbeeld) en een paar kiekjes uit haar acrobatentijd. De grote foto moet wel Sylvia samen met haar moeder zijn, dansend voor de Russen in Tsjechië (haar moeder stond er op hun act “de dansende zusjes” te noemen omdat ze niet te oud wilde lijken).
De radio is een Philips LX444AB uit begin jaren ’50, nu een vintage verzamelobject maar toen, met de opmars van de transistor en draagbare radio’s die écht draagbaar waren, waarschijnlijk een afdankertje.
Onder een bloemstukje zien we een authentieke oud-Hollandsche Salamander-pocket, zoals die toen bij duizenden rondzwierven in huiskamers. Om precies te zijn: Voor Wie Dit Leest (Proza en Poëzie van 1920 tot heden).
Sylvia had toen ze als 15-jarige in Nederland aankwam niet alleen een taalachterstand, ze miste ook de kennis van de hele NL culturele canon; lastig als je cabaretière wilt worden. Van sommige van haar Lurelei-teksten vol slimme verwijzingen snapte ze de helft niet; er moest dus constant bijgespijkerd worden, waarvan dit boek getuigt. Hard werken en geen geld, zegt deze foto dus. Maar evengoed knus.
Paisley Psylvia! Met Lurelei in de tv-studio, 1965
“Ik herinner me nog dat we ons daar in dat piepkleine zaaltje aan de Leidsekade voor aanvang van de jaarlijkse première verkneukelden over wat we te zien en te horen zouden krijgen. Vooral het programma waaraan de onvergetelijke Leen Jongewaard en Sylvia de Leur meewerkten was zo verschrikkelijk goed en geestig. Wekenlang teerde je nog op de herinnering van al die grappige en gemene nummers. Het nummer waarin Leen Jongewaard vanuit een vuilnisbak het moderne toneelrepertoire op de hak nam zal ik nooit vergeten. En Eric Herfst met zijn clowneske gezicht in combinatie met Sylvia de Leur, aan wie ook iets van het circus kleefde; als je hen bezig zag was dat van grote schoonheid.” Dit schrijft Marjan Berk, zelf later ook Lureleister, in haar boek Memoires van een dame uit de goot van het amusement (het tweedehands bij bol.com bestelde exemplaar waar ik dit uit heb overgetypt komt zo te zien en ruiken trouwens ook uit de goot van het amusement, maar dit terzijde). Het is interessant dat, ondanks de waardering van collega’s en publiek, Sylvia er in de cabaretgeschiedschrijving bekaaid van afkomt; áls Lurelei al een halve bladzijde krijgt wordt zij niet, of even snel in het voorbijgaan genoemd. Volgens mij komt dat omdat ze eigenlijk altijd een outsider is geweest, ze maakte geen deel uit van die typisch Nederlandsige aardappel-in-de-keel/vibrato/grote gebaren/grote ogen-cabarettraditie. En hoewel Lurelei altijd wordt geprezen om de scherpe (en lange) teksten van Guus Vleugel, waren hun succesnummers met Sylvia zoals Tango Mortale en Sto Mpazari vrijwel woordeloos (iig Nederlandse woorden-loos). Zoals Marjan Berk al zei: Sylvia was meer van het circus (of varieté eigenlijk) dan van het cabaret.
Hoewel Lurelei al enkele jaren furore maakten in het theater, braken ze pas echt nationaal door toen ze eind 1964 hun eigen tv-programma kregen bij de VARA. De eerste twee afleveringen zijn bewaard gebleven en zwerven in stukken en brokken op youtube rond; de derde aflevering werd afgelast omdat de omroep bezwaar had tegen sommige teksten, o.a. van het Jan Cremer-liedje van Sylvia. April 1965 kwam er uiteindelijk nog een aflevering, maar die is wsch niet bewaard gebleven. Welke nummers zouden ze gedaan hebben? Ik denk in ieder geval Begraven is goedkoper dan U denkt, aan de telefoon op de foto hierboven te zien. En vast ook het huzarenstuk Botanisch Twistgesprek waarin Leen, met Sylvia dansend, een tekst met 110 obscure plantennamen zingt. DeLeurean heeft nl. speciaal voor u een (oude) Revue uit dezelfde maand opgesnord waarin Leen en Syl op een paar mooie kleurenfoto’s de botanische tango uitvoeren; het blad begaat helaas de onvergeeflijke fout het lied aan Guus Vleugel toe te schrijven ipv aan Drs. P!
Blonder and blonder: Kim Shattuck, Sylvia, Oom Martin
Werd vanochtend wakker met het nieuws dat Kim Shattuck op 56-jarige leeftijd aan ALS is overleden. Kim wie? Zangeres van the Muffs en één van de beste songschrijvers van mijn generatie. Het lijkt wel of je steeds meer over ALS hoort. Toen Sylvia de Leur er in 2006 aan overleed had nog niemand van de ziekte gehoord. Een paar jaar later kreeg mijn jongste oom Martin Veerman de diagnose/ het doodvonnis voor zijn kiezen. Nadat hij in 2013 aan de ziekte was bezweken kwam er een boek uit waarin Eddy Veerman (geen familie) hem in zijn laatste jaren op de voet volgt; het boek ALS Je Dit Leest is aangrijpend maar ook bij vlagen humoristisch, en de opbrengst gaat bovendien naar ALS-research:
Oom Martin werd 58, Kim Shattuck 56, dat is geen leeftijd om te gaan. Sylvia was op haar 56ste gelukkig nog in de kracht van haar leven, ze speelde in de Annie M.G. Schmidt-serie Beppie en leende haar stem aan Freek de Jonge’s De Goeroe En De Dissident, maar macaber genoeg bij Freek als stervende vrouw en in Beppie als overleden vrouw! Net als het boek over m’n oom Martin is haar scene met Freek (haar stem was van tevoren opgenomen dus strikt gezien speelt ze niet mee) aangrijpend, tragisch en grappig tegelijk (link werkt nu, alleen audio):
Ria Kuyken was jong, mooi, kon goed zingen en werd in 1961 door de gemeente Barneveld verkozen tot Miss Ei. Lijkt het misschien een twijfelachtige eer om als Miss Ei door het leven te gaan, het lot had iets nog ergers voor haar in petto: Ria zou vanaf het daaropvolgende jaar voor altijd in het collectieve geheugen gegrifd staan als “de vrouw van de beer”. In 1962 werd ze tijdens een repetitie voor een circusnummer aangevallen en in haar schouder gebeten door een beer. Het was niet eens een optreden, alleen een repetitie zonder publiek, maar Ria had de domme pech dat persfotograaf Cees de Boer een (vrij onflatteus) plaatje van het voorval schoot dat prompt de hele wereld rondging en de Zilveren Camera en World Press Photo van het jaar won.
De fameuze foto. (Dat de achterste beer gewoon doorgaat met de act geeft de foto IMHO een beetje een surrealistisch tintje.)
Na de foto kreeg Ria een overvolle agenda, niet vanwege haar zangkwaliteiten, maar omdat iedereen wel die vrouw van die beer wilde zien. Ze kon geen optreden doen zonder dat er een grapjas in een berenpak het podium op kwam. Zelfs bij haar overlijden in 2001 kopten de kranten “Ria Kuyken, de vrouw van de beer, overleden”. Toen bekend werd dat Sylvia de Leur op het Nationaal Songfestival van 1973 een berenact ging doen klom Ria meteen in de pen (of de seinsleutel) om haar per telegram te waarschuwen. Ria en Sylvia gaan dan ook ver terug; in 1958 zongen en speelden ze samen in de Benny Vreden-musical Waterproef, de eerste keer ooit dat ze beiden op televisie kwamen.
Ze werden geadverteerd als een “VPRO-ensemble”, wat niet alleen inhield dat de musical door de VPRO werd uitgezonden, maar ook dat ze als een soort promotieteam op toer gingen langs zg. “VPRO-bindingsavonden”. De latere anarchistische Wim T. Schippers-VPRO lag nog mijlenver in het verschiet; op deze avonden werd de musical (met liedjes als “Ik heb m’n fokkie gescheurd”) steevast voorafgegaan door een praatje van een plaatselijke dominee en een wervende toespraak van “VPRO-propagandist” C. Galis. Cor Galis, toen al De Stem van de VPRO! Geen foto gevonden van Syl & Ria tijdens hun allerallereerste TV-optreden, wel een paar met Syl & Ria op de voorkant van (en in) de VPRO-gids, jong, onschuldig en zich niet bewust van de beren die ze nog op de weg tegen zouden komen.
Ria Kuyken in 1967. Sommige mensen leren het ook nooit…