Boesnach

S.H. Boesnach en familie, eind 19e eeuw. Links opa en oma De Leur, achteraan Jozep en Philip

Met de ontwikkelingen van dit moment blijkt maar weer wat een kwetsbaar beroep het “vrije” vak van muzikant/ entertainer is. Je zou maar een hele familie vol muzikanten en entertainers hebben, zoals Sylvia de Leur, telg van het roemruchte Rotterdamse/Joodse geslacht Boesnach. Wegens aan huis gekluisterd want geen concerten heb ik me maar weer eens op één van m’n andere hobbys gestort: het maken van stambomen. Van de familie Boesnach is veel terug te vinden op internet, ik ontdekte dan ook vrij snel dat hun muziek- en komedietraditie zeker tot in de 18e eeuw teruggaat!

Vooral het gezin van S. H. Boesnach timmerde aan de weg; broers Josua (Josep) en Philip vormden een komisch duo, ze werden begeleid door Gerard de Leur (opa van Sylvia) op piano. Gerard werd verliefd op hun zus Emmerentia (zelf zangeres) en wurmde zich zodoende ook de stamboom in.

Was 1904 2020, dan was een hele familie in één klap brodeloos

De beroemdste Boesnach, actrice Mimi, blijkt geen familie te zijn; ze nam de naam van haar stiefvader aan. De in de jaren ’20 legendarische komiek Siem Nieuwenhuyzen, die in de Bouwmeester Revue met Mimi Boesnach en coryfeeën als Johan Buziau furore maakte, is dan weer wél familie.

Mimi Boesnach en Siem Nieuwenhuyzen

In een zijtak van de familie zien we twee interessante aangetrouwden: Louis Boesnach (geen artiest maar wel één van de eerste alternatieve dokters in NL) trouwde met de actrice Adriënne Solser, bekend van de creatie Tante Bet, het prototype van de Jordanese volksvrouw op het toneel. Zij waren dan weer de schoongrootouders van de legendarische jazzmuzikant (én dokter!) Boy Edgar.

Adriënne Solser; Boy Edgar en Mia Frenk

Hoewel Sylvia voordat ze op haar vijftiende naar Nederland kwam alleen Duits, Tsjechisch en Russisch sprak, en nooit in Rotterdam heeft gewoond, was ze later redelijk bedreven in Jjjotterjjjdams zoals ze o.a. liet horen in een Feyenoord-supporterssketch in Avro Music Hall.

Speurend op de genealogie-sites komt, naarmate je in de twintigste eeuw vordert, de klap: op een gegeven moment hebben bijna alle Boesnachs, zowel kinderen als volwassenen en hoogbejaarden, als overlijdensjaar 1943 of 1944. In het concentratiekamp gestorven. Een gruwelijke herinnering aan die ándere massahysterie die tegenwoordig ook weer de kop op dreigt te steken.

Vrouwendag

“Voor mijzelf ben ik al vanaf mijn geboorte geëmancipeerd geweest. Ik heb altijd dingen gedaan waarvan ik later hoorde dat dat niet kon voor een vrouw. Als ik met vrienden uitging, betaalde ik altijd. En als je betaalt,” – lacht wat olijk – “beslis je waar je naar toe gaat. Ik haalde ook wel even de kaartjes. Vandaar dat ik ook nooit veel vriendjes gehad heb, ik was natuurlijk toch te overheersend.” (Accent, november 1973)

Haar van Beneden

Al had Sylvia de Leur in de jaren na Wat Zien Ik de meest uiteenlopende dingen gedaan en typetjes gespeeld, haar Haar Van Boven-rol zat blijkbaar zo aan haar vastgeplakt dat ze zeven (!) jaar later opnieuw de hoer mocht spelen in het TV-stuk Een Vrouw Van Driehoog. Of misschien was de schrijver van het stuk Herman Lutgerink, die aan Toneelgroep Centrum verbonden was, haar gewoon tegen het lijf gelopen in haar Italiaanse vakantiedorp (zie paar posts terug), kan ook natuurlijk.

Herman Lutgerink was van oorsprong acteur, hij had een soort guitige boeventronie die hij goed benutte in jaren ’60-kinderfilms als Sjors en Sjimmie en Pietje Bell. Rond 1970 ontpopte hij zich als toneelschrijver, zijn stukken als De Babyfoon en De Container werden alom bejubeld. “Lutgerinks toneelstukken zijn exacte beschrijvingen van minimale gebeurtenisjes in alledaagse kleinburgerlijke milieus. De hoofdpersonen verkeren op het randje van overspanning, die gaandeweg het stuk aan het licht komt.” (NRC)

Voor Een Vrouw Van Driehoog werden door de NOS kosten noch moeite gespaard; er werd drie weken gerepeteerd en vier weken gefilmd (en niemand die liep te zeuren over “linkse hobbys”!), in een authentieke Amsterdamse bovenwoning (alweer net als bij Wat Zien Ik). Het stuk gaat over een zonderlinge, neurotische alleenstaande vrouw (Manon Alving) die haar woning niet uitkomt. Een nieuwe werkster (Coby Stunnenberg), type opgeruimde beetje alternatieve boerin, brengt verlichting. Sylvia maakt, als onderbuur die op dezelfde verdieping als de vrouw haar “werkkamer” heeft, eerst ruzie maar sluit tenslotte vrede. Een mooi, iets aandoenlijk typisch jaren zeventig/ maakbare-mens-achtig verloop.

Hoewel toen al op de rijpe leeftijd van 45 jaar, overtuigt Sylvia toch; je stelt je zo voor dat, zeven jaar na Wat Zien Ik, Haar Van Boven Haar Van Beneden is geworden; intussen gescheiden van vlekkenman Bob bestiert ze nu door schade en schande wijs geworden zonder hulp van een pooier haar éénvrouwsbedrijfje vanuit haar huis. Ook valt op dat, hoewel het een Serieus Stuk is (het toneelstuk bedoel ik, niet Sylvia), ze toch vooral weer tot doel heeft “een beetje door de film heen te suizen voor de vrolijke noot”, zoals ze zelf ooit zei over wéér een andere film waarin ze een meisje van het naaiatelier speelde, De Inbreker.

OK Mikado

Mikado en blauwogige Japanse

OK Boomer! Het tienjaarlijks evenement Afgeven Op Babyboomers hebben we ook weer gehad. Als je toevallig in de jaren ’40 geboren bent, dan ben je de schuld van alles, heb je jarenlang geprofiteerd en het land – wat zeg ik, de wereld – verpest, zo ging het oude versleten liedje weer. Een of twee zeikcycli geleden was het geloof ik Wim de Bie die verzuchtte “Ik ben van 1939, dus ík heb het allemaal niet gedaan!” Als mede-1930er kon Sylvia de Leur zich bij hem aansluiten. Maar boomers, mensen die niks hebben met de benepen regels en levenswijze van de oude garde, zijn natuurlijk van alle tijden… en leeftijden. Het (leuke) stuk in Sylvia’s autobiografie waar ze herinneringen ophaalt uit haar jonge Amsterdamse tijd in de jaren ’50 zal herkenbaar zijn voor wie hippie was in de jaren ’60, óf punk in de jaren ’70/’80: ze hokte samen met (de latere TV-regisseur) Rob Touber, beide experimenteerden er sexueel op los, als vervoermiddel werd een ouwe fiets uit de grote hoop voor het CS meegenomen en wegens geldgebrek leefden ze op een dieet van bij de buren weggegapte melk en brood met mosterd.

Maar boomers, dus, ík vind ze OK, al ben ik generatie nix (of was het nou de patatgeneratie?). Ze hebben misschien wat onhebbelijkheden, bijv dat ze liever zichzelf horen ouwehoeren dan naar een ander te luisteren. Maar wat gaat er boven het geouwehoer van iemand die de JAREN ZESTIG heeft meegemaakt (en zich alles verkeerd herinnert – het teken dat ‘ie de jaren zestig écht heeft meegemaakt), niks toch? Dan was er nog een ding waar ik me altijd aan ergerde, nl. dat in de jaren ’70 tieners in films steevast door dertigjarige boomers gespeeld werden. Kijk naar American Graffiti (Harrison Ford!), The Fonz in Happy Days, of de complete cast van Grease. En wat te denken van jarenzeventig-teenybop-idolen als Gary Glitter en Alvin Stardust? Was er dan niemand die zei: wacht effe, hier klopt iets niet? Het is alsof de boomers, als uitvinders van het begrip teenager, die teenager niet los wilden laten. Zoals altijd liep Sylvia hier ver voor de meute uit: zij speelde in 1967 al als 33-jarige een giechelend (Japans) schoolmeisje! In de Nederlandse tv-bewerking van de Gilbert & Sullivan-operette De Mikado.

Als ze zingt hoor je trouwens niet Sylvia zelf, maar iemand anders; alle acteurs in het stuk playbackten op “echte” zangers/essen. Het was nogal een dingetje indertijd; “We betalen dus een dubbel stel artiesten. Het geld kan blijkbaar niet op”, zuurpruimde een krant. Maar het door “ghost singers” laten inzingen van films was een normale praktijk in die tijd; de film Singing In The Rain gaat zelfs over zo’n zangeres (ironisch genoeg werd Debbie Reynolds die de ghostzangeres speelde in de film zelf ook ge-ghost!) Boomer Frank Farian was dus niet de eerste die zijn Boney M’s en Milli Vanilli’s van andere stemmen voorzag.

Alaaf!

Sylvia moest er ook aan geloven: in 1979 nam ze een carnavalssingle op. Carnavalshits waren big business in die tijd: in de hitlijsten van dat jaar vinden we tijdloze klassiekers terug als ‘k Heb Hele Grote Bloemkoole (schopte het tot nummer 4!), Reuteuteuteuteu en Jodelodelodelodelohiti. Zelfs Herman Brood deed een duit in het zakje met Maak Van Uw Scheet Een Donderslag. Helaas haalde Sylvia zelfs de tipparade niet, wat de platenmij er niet van weerhield haar op de Daverende Carnaval Hits ’79-verzamelaar te zetten (met andere foto uit zelfde fotosessie zoals u ziet):

Adele, toch goed voor een aardige carnavalshit op z’n tijd, flopte dat jaar ook met Mijn Laatste Sigaret

De zang van Sylvia klinkt een stuk krachtiger dan gewoonlijk, misschien heeft de componiste van de liedjes haar een beetje gecoacht in de studio; Marijke Philips was zelf zangeres en verzorgde in die tijd ook de vertaling en nasynchronisatie van tekenfilms (o.a. Dunderklumpen). Ze speelde in 1965 in het cabaret van Wim Sonneveld, ze kenden elkaar vast uit die tijd.

(Mocht u deze nog hebben liggen: hij doet een whopping 55 Euro op Discogs)

Sylvia als carnavalsvierder, het lijkt raar, maar ze was wsch een van de eerste Nederlanders van boven de rivieren die met (het moderne) carnaval in aanraking kwam. In het Amsterdamse COC, waar zij in de jaren ’50 veel rondhing, kwamen indertijd veel Brabanders en Limburgers over de vloer om van de grotestadsvrijheid te proeven; zij brachten het carnaval mee, eerst naar het COC, gaandeweg in de hele hoofdstad. (De Gay Pride is dus eigenlijk een verre nazaat van dit oer-carnaval.)

In 1972 was Syl zelfs onderwerp van een carnavalslied

De carnavalskraker zoals we die kennen stamt ook pas uit die tijd, de eerste echte NL carnavalshit was Carnaval van Rita Corita uit 1962 (er staat een filmpje van op youtube, Sylvia is één van de dansers). Van Syl’s eigen Daar Heb Je Haar Weer is geen (bewegend) filmpje te vinden, hier dus alleen het lied:

Fanghetto

Sylvia in Fanghetto, rond 1968

Een wetenschapper zei ooit dat de hersens van artiesten, politici en criminelen op elkaar lijken; met dit in het achterhoofd kunnen we het mysterieuze Italiaanse gehucht Fanghetto dus gerust een artiestenkolonie noemen, al zochten er behalve artiesten als Sylvia de Leur ook politici als Ed van Thijn en één of twee sjacheraars hun toevlucht. O ja, en wat wetenschappers. Hoe het zowat ontvolkte, bouwvallige maar paradijselijke bergdorpje in de 60’s zo’n beetje in het geheim werd overgenomen door een Nederlandse incrowd is een fascinerend verhaal dat smeekt om door bijv een Annejet van der Zijl in boekvorm te worden gegoten… Alleen ís er al een boek: de (fictieve) thriller De Dorpelingen Van Innocento, in 1981 door Van Thijn met mede-Fanghettonaar Peter Brusse geschreven, speelt zich af in Fanghetto, al opereren zowel dorp als bewoners hier onder schuilnaam. Zelfs nog in de jaren ’80 hielden ze hun paradijs geheim voor de buitenwereld. (Het is tekenend dat in een ander boek, W. F. Hermans’ Onder Professoren, de hoofdpersoon informeert naar de prijs van een appartement in Monaco (te duur, blijkt); van het vlakbij gelegen bergdorp heeft ie blijkbaar geen weet.) In de thriller wordt het dorp van twee kanten in z’n voortbestaan bedreigd: een geheim plan om er een dure lusthof van te maken, én de Bhagwan die er een nieuw hoofdkwartier van wil maken. Fictie, maar vast voortkomend uit echte spanningen indertijd.

Zoon Marino bij de kabelbaan (bij gebrek aan weg de enige manier om grote spullen naar het dorp te krijgen)

Het begon allemaal toen Hans Roduin, dramaturg bij Toneelgroep Centrum en Amsterdams kunstaanjager met zijn societeit Le Canard, in 1965 met zijn vrouw Ingeborg op het dorp stuitte. Ze kochten een hoop stenen, maakten er een (min of meer) bewoonbaar huis van en geleidelijk aan trok het dorp steeds meer vrienden en collega’s, waaronder het gezin Gisolf/ De Leur. Walter Kous, ook van Toneelgroep Centrum, maakte er een lucratief handeltje van en verkocht de ene na de andere grot voor tien keer wat hij er voor had betaald. Hij maakte zich niet populair en moest na een aanvaring met Italiaanse fascisten met stille trom vertrekken, al gaat het gerucht dat hij in een ravijn terecht is gekomen. (Wsch heeft hij ook inspiratie gevormd voor de thriller.)

Geen TV, ze maakten hun eigen entertainment

Jarenlang was Fanghetto een soort verborgen grachtengordel/ Oud-Zuid in de bergen van Italie. Het was helemaal des sixties: geen comfort maar back to nature. Actrices, schrijvers, schilders, politici en flierefluiters haalden samen water bij de pomp, maakten samen muziek, dronken en aten samen en gingen samen vreemd, onder het meewarig toeziend oog van de enkele oude autochtonen. Omdat het dorpje een beetje te populair begon te raken werden nieuwkomers afgewimpeld, tekenaar Waldemar Post kreeg bijv te horen dat het dorp “niet veilig voor kinderen” was; hij vestigde zich in het naburige Bossare.

Sylvia en Arnold (achternaam?), duidelijk niet in Fanghetto, wsch in het nabije San Remo of Ventimiglia

Fanghetto moet voor Sylvia een verademing zijn geweest met haar hectische werkschema en bij iedereen bekende gezicht. Misschien dat dat boek toch maar niet geschreven moet worden en het geheim een geheim moet blijven, uit respect voor Sylvia en kompanen, voor wie het dorp een ghetto was waar ze zich konden verschuilen voor hun fans. Een anti-fan-ghetto dus.

Foto’s (van Aart Gisolf) heb ik van het door Peter Brusse en andere huidige Fanghetto-bewoners gemaakte Fanghetto-blog geplukt: https://thefanghettoreporter.wordpress.com/

Hier in een notedop het hele verhaal, artikel van Martin Schouten uit 2000: https://thefanghettoreporter.wordpress.com/2013/05/26/een-beetje-contemporaine-geschiedenis/

And now for something Els(j)e

Sylvia de Leur en Elsje de Wijn behoorden tot het vaste team van de TV-show Improvisaties, uitgezonden van 1969 tot 1970. De show viel qua populariteit te vergelijken met de Lama’s van 30 jaar later; meer nog dan Lurelei en Wat Zien Ik maakte Improvisaties Sylvia tot een nationale beroemdheid. Maar terwijl Syl al ruim een decennium aan de weg timmerde kwam Elsje de Wijn vers van de Toneelschool. Na Improvisaties volgde voor haar een onverwachtse carnavalshit met Karel, nog een TV-hit in Citroentje Met Suiker en een hoofdrol in Heb Medelij Jet (1975), één van de vele (en één van de beste) kluchtige films die in het kielzog van Wat Zien Ik uitkwamen.

Ischa Meijer als nozem!

Elsje speelt de jonge mooie Friezin Aafke die meelift met sjacheraars Piet Römer en Johnny Kraaykamp, om ze aan het eind in de steek te laten voor de nog grotere sjacheraar Ton van Duinhoven. Na deze vliegende film & TV-start ging Elsje zich meer op het toneel richten, met veel succes, maar wel met inlevering van haar status als TV-beroemdheid.

In Moeder, Er Komt Een Bevolkingsexplosie (1971). Toen ook al Friezin?

Wel duikt ze in de jaren ’80 nog op in de VPRO-kinderserie Max Laadvermogen als moeder van Max. Speelde ze in 1975 nog een veel jongere vrouw dan ze eigenlijk was, amper tien jaar later speelt ze een óudere vrouw dan ze is. Het is een bekend verschijnsel voor actrices; in een interview vertelt Elsje dat ze tussen haar 40e en 50e moeite had rollen te krijgen; na haar 50e ging het weer vlotter want toen kon ze “gewoon” omaatjes spelen.

De carriere van Elsje loopt eigenlijk tegenovergesteld aan die van Sylvia: was ze amper uit de startblokken succesvol, later in haar carriere heeft ze geheel in de Doe ’t Zelf-geest van het vroege Lurelei voorstellingen opgevoerd in haar eigen huiskamer! Een geweerschot gelost in het stuk resulteerde in een politieagent die bibberend poolshoogte kwam nemen (dit was net na Pim Fortuyn). Elsje googelend zien we dat ze nog altijd going strong is (net Eindspel van Beckett gedaan), en nog altijd mooi.

Eenentwintigste-eeuwse Elsje

Sixties Sylvia

1969, een zeldzame foto van het Lureleiteam met schrijver Guus Vleugel. Ik bedoel, de foto is niet zeldzaam, want staat in het standaardwerk En Nu De Moraal van Wim Ibo, maar Guus Vleugel ging zelden met Lurelei op de foto. Let op het mooie 60’s-setje met druksluitingen dat Syl draagt, ook te zien in de flatneurose-sketch in Nationaal Allerlei, een jaar eerder:

Sylvia naar Cambodja

Sylvia was eigenlijk de eerste “professionele BN’er”, iemand die bekender was om wie ze was dan om wat ze deed. En zoals dat met professionele BN’ers gebeurt werd ze hier en daar gevraagd om over een bepaald onderwerp haar zegje te doen. Een half jaar nadat haar zoontje was verongelukt besloot ze erover te praten op TV met Berend Boudewijn; niet omdat ze een exhibitionist was zoals veel professionele BN’ers van nu, maar uit een soort plichtsgevoel, om een stem te geven aan de vele rouwenden die in een isolement raken omdat de buitenwereld niet weet hoe ermee om te gaan. In februari 1980, toen de aandacht van de wereldpers voor het drama in Cambodja verslapte, nam ze als lid van een tweekoppige Nederlandse delegatie (de ander was Hans van Mierlo) deel aan de Mars Voor Overleving naar de Cambodjaanse grens. Ze schreef erover in het NRC, een mooi geschreven en heel zinnig verslag: aan de ene kant ergert ze zich aan het circus van zich voor de camera’s verdringende celebs, aan de andere kant moet dat circus nou eenmaal opgevoerd worden voor de goede zaak. Ze heeft een apart, creatief woordgebruik (niet alleen hier, maar ook in interviews), en ik vraag me af of dat misschien (à la Cornelis Vreeswijk, zoals Frans de Wit in Het Mannetje In Mijn Gitaar poneert) mede komt doordat ze met een andere taal is opgegroeid. Hieronder de volledige tekst: