
Voordat de jaren ’60 en de hippies er waren, hadden we de jaren ’50 en de hipsters. Deze hipsters (die niks te maken hebben met de huidige foodtruck/ latte macchiato/ man bun-hipsters) waren de wegbereiders van de hippies, ze deden eigenlijk wat de hippies later ook zouden doen, maar dan in kleinere kring en in een conservatievere tijd; eigenlijk waren de hipsters dus veel stoerder dan de hippies. Bovendien luisterden ze niet naar duffe ellenlange psychedelische freakouts maar naar coole, eh, ellenlange jazzsolos. Jazz was de muziek van de outsiders, de verdrukten en de marginalen, jaren vóór (sommige) rock en punk dat zou worden. Jazzmuzikant/ cartoonist Frits Müller vertelde ooit hoe hij met een groepje fans de legendarische saxofonist Sidney Bechet zag lopen in een regenjas zonder knopen; prompt liep zijn hele vriendenclubje rond in jassen met de knopen er zorgvuldig afgesloopt. Zoals te lezen valt in het onlangs verschenen boek Jazzvogels van Rudie Kagie liep het met een aantal van deze jazzvogels slecht af: ze waren straatarm, raakten verslaafd, dakloos etc; de prijs die de pionier moet betalen. Sylvia de Leur was ook een soort van hipster: ze hield zich op in vrijgevochten kringen in de hoofdstad, leefde van schnabbel naar schnabbel en ging met jazzmuzikant Aart Gisolf (hoewel haar muzikale voorkeur uitging naar de bossa nova van Stan Getz en Joao Gilberto). Toen de Beatles in 1964 aantraden hoorde ze in één klap met haar medehipsters bij de “oude” generatie; als dertigjarige kon ze moeilijk mee gaan krijsen met de hysterische Beatlefans. Toch is dat precies wat ze deed in 1964, in het Lurelei-nummer Wie Zal De Volgende Zijn? Bepruikte idolen Eric Herfst, Robert Bos en Leen Jongewaard hebben zich net na een optreden in veiligheid gebracht; vierde bandlid “Piet” redde het niet en is verscheurd door de fans. “Die bleef wat te lang staan spelen… En nu zijn ze hem aan het verdelen.” Het trio, waarin we zonder moeite de Beatles herkennen (of driekwart Beatles in ieder geval), heeft vaker met dit bijltje gehakt: “Toen Jan van het voorjaar zijn leven verloor/ Toen heeft zelfs zijn moeder niks gemerkt/ Want onze grimeur is een heel knappe man/ Hij maakte van mij toen een andere Jan”… Vijf jaar vóór de “Paul is dead”-rage voorspelde Lurelei dus al het gerucht dat er een Beatle dood was gegaan en vervangen door een dubbelganger! Maar dan wordt er op de deur gebonsd…
Leen: Het wachtwoord proberen, je weet het maar nooit… Hoever komt een rollende steen?
Sylvia (achter de deur): Tot Klazienaveen!
Rob: Wie is de broer van de graaf van Parijs?
Sylvia: Rob de Nijs!
Eric: Wat draagt Trea Dobbs in haar bed?
Sylvia: Een pet!
Leen: Van wie heeft prins Bernhard zijn titels?
Sylvia: Van de Beatles!
Alles veilig, de deur gaat open terwijl de Threetles het refrein herhalen: “Wie o wie zal de volgende zijn? Wie van de drie, yeah yeah, wie van de drie, yeah yeah…” waarop hysterische fans Sylvia en Jasperina krijsend binnenvallen: “Jijjjj!!”
Net als altijd bij Lurelei gaan ze in dit nummer niet voor makkelijk scoren; niet de Beatles zélf worden gepersifleerd, maar de hysterie er omheen. Het refrein “Wie van de drie, yeah yeah” verwijst naar het toen splinternieuwe TV-succes dat het tot ver in de jaren ’70 zou volhouden. Het soort programma waarvan we ons nu denken te herinneren dat Sylvia er panellid was, maar ze heeft nooit aan Wie van de Drie meegedaan. Iedereen van 50+ kan zich de tune van Wie van de Drie nog herinneren: een knallende big band-uitvoering van Duke Ellington’s Caravan. Hebben de jazzvogels toch nog het laatste woord.