
Begin jaren ’60 hoorde Wim Kan tot de Grote Drie van het cabaret; hij was gearriveerd, maar nieuwere, jongere en brutalere gezelschappen rommelden aan de horizon. Wim wilde zijn jonge rivalen wel eens in actie zien, maar aan de voordeur van het Lurelei-cabaret werd hem de toegang ontzegd door een deurdienst draaiende Sylvia de Leur; het zaaltje was stijf uitverkocht. Hij heeft het haar blijkbaar vergeven; een paar jaar later verruilde Sylvia Lurelei voor zijn ABC-Cabaret, een jaar nadat Lureleier Frans Halsema dezelfde overstap maakte. Ze was liever bij Lurelei gebleven maar had geld nodig voor de behandeling van haar met klompvoetjes geboren zoontje. Al snel bleek dat het een slecht idee was geweest; Kan had weinig goeds over haar te zeggen en had bovendien de neiging om zijn medespelers, die alleen vóór de pauze optraden en daarna dus in principe naar huis konden, te “gijzelen”. “Vanavond speel ik voor jullie” zei hij op avonden dat hij zich onzeker voelde (meestal in de provincie, en ver weg), en dan bleef het hele gezelschap dus tot het eind om bij de opkomende zon pas weer bij hun jonge gezinnetjes thuis te komen. Ten einde raad besloten Sylvia en haar man Aart een tweede kind te nemen om onder haar verplichtingen uit te komen. Eenmaal zwanger at Syl zich bovendien suf om zo gauw mogelijk de indruk te wekken op springen te staan, met succes: met drie maanden leek ze al acht maanden heen en mocht ze weg!

Uit het daaropvolgende jaar is een TV-opname bewaard gebleven van Sylvia die samen met Frans Halsema het oude Lurelei-succesnummer Huisbezoeking (“O Willem, wat zou dat toch wezen met Piet?”) zingt. Het nummer gaat over een stel ouders dat gebeld is door het schoolhoofd van hun zoon. Ze halen zich de ergste rampen in het hoofd:
–“Hij zat de laatste tijd steeds detectives te lezen/ Hij zal toch geen centen van school hebben gegapt” -“O Willem, het zal toch geen roofmoord kunnen wezen/ Waarbij onze Piet op heterdaad is betrapt?”
Aan het eind van het lied blijkt (natuurlijk) dat er niks aan de hand is; het hoofd had vernomen dat Piet guppies heeft en wilde vragen of ze er een paar voor het schoolaquarium mochten hebben. Een standaard komische ontknoping. Maar de 1967-versie vervangt het oude Lurelei-eind voor een veel absurdistischer apotheose, we horen het schoolhoofd nu zeggen:
“Dat maakt de zaak eenvoudig, houdt u dan de ballonnen/ Zij hebben trouwens liever die vierentwintig tonnen/ Want zou de boel bederven, dat kan in die staten/ Van Stolk neemt de klokken op z’n rug/ Die Piet is wat begonnen, nou ja, niet meer over praten/ Zodra de boel in bloei staat kom ik terug.”
Van wie zou deze tekstrevisie komen? De originele tekst is van oer-Lureleier Ben Rowold, die van al hun tekstschrijvers altijd al het meest absurdistisch was ingesteld, maar Ben was al sinds 1963 uit beeld. Een notitie in het dagboek van Wim Kan verklapt de herkomst; het was uitgerekend deze oude cabaret-dinosaurus die het liedje van de jonge rebellen met een beetje extra pit injecteerde:
Zondag 8 augustus 1965. Nacht. Te bed. Vanmiddag slot (?) gemaakt aan “Wat is er toch met Piet? (Ja hoor us Mien, dat weet ik niet!)” Ol voorgelezen voor de tweede keer. Zij niet zichtbaar enthousiast, maar dat zegt me niet zoveel, omdat Ol dit soort humor, kolder, geheel niet aanvoelt. Zie er zelf wel wat in (voorlopig).