
Toen Sylvia in 1977 gevraagd werd mee te doen aan Miami Nightmare, een manifestatie tegen de Anita Bryant-antihomokruistocht, hoefde ze niet lang na te denken. Ze hing als jong meisje al rond in De Schakel, de bar-dancing die het COC in 1955 opende in de Korte Leidsedwarsstraat (waar nu de Waterhole zit) en had een paar jaar een relatie met ene Petronella. De autoriteiten hadden het toen nog niet zo op lui die het hielden met “dezelfderlei kunne” maar omdat ze ze liever op 1 plek geconcentreerd zagen ipv verspreid over de piskrullen in de stad mocht De Schakel tot ver na de normale sluitingstijd open blijven. Sylvia vertelt in haar boek hoe ze er vaak tot 5 of 6 uur rondhing om de volgende ochtend tollend van de slaap weer aan het werk te gaan. Voor haar dus geen probleem dat Miami Nightmare een all-nighter was, maar de Zangeres Zonder Naam, die speciaal voor de gelegenheid het lied Luister Anita had geschreven en als laatste op moest, ging bijna van d’r stokje. Gek genoeg kwam de live-registratie van Miami Nightmare (eig de eerste Gay Pride) pas drie jaar later op LP uit. Ik heb de sketch met Sylvia als Anita Bryant al eens gelinkt, hier voor het gemak de beste grap:
Interviewer (Adèle B): Uw kruistocht…
Anita (Sylvia): Wat zegt U??? …Staat er wat open?

Begin jaren ’60 zette ze met Lurelei al graag cliche’s over homo’s op hun kop, bijv in het door Guus Vleugel geschreven Vrienden en Vriendinnen. Helaas bestaat er geen opname van, dus hier de tekst…
Sylvia: En Lydia, hoe is het met Frits?
Jasperina: Goed kind, dank je. Je moet de groeten hebben.
S: O dank je. Ja, ik zag je verleden week nog in de schouwburg, maar zonder Frits. Dus ik denk: er zal toch niks wezen met Frits.
J: Welnee. Je kunt Frits alleen met geen honderd stokken naar de schouwburg krijgen, maar verder is er niets aan de hand.
S: Dus toen dacht je, dan ga ik maar met een ander.
J: Toen dacht ik: Kom ik ga eens met Jimmy.
S: O, heet-ie Jimmy?
J: Wat, ken jij Jimmy niet? O, Jimmy is geweldig.
S: Ja, dat dacht ik al. Een echte vrouwenvreter, om zo te zien.
J: Ach, een vrouwenvreter! Dat is zalig, dat moet ik direct aan Jimmy vertellen. Die zal zich bedoen. Lieve Ellen, Jimmy is zooo…
S: Zo? Wat zo. Hoe zo.
J: Gewoon, zo.
S: Wat zeg je me nou: Die knul waarmee je in de schouwburg zat, is die van de verkeerde
kant?
J: O Ellen, jij kunt er altijd zo hopeloos naast zitten met je uitdrukkingen. “Is die knul van de verkeerde kant?” Dat kun je toch niet zeggen, meisje.
S: Nou ja, ik bedoel eigenlijk: Is die heer een homofiel?
J: Maar lieve kind. Dat zie je toch onmiddellijk. Dat ligt er nou duimendik bovenop. Dat jij dat niet ziet, zeg. Eigenaardig.
S: Ja, het is soms een beetje moeilijk. Van Gerard van het Reve zou je het ook niet zeggen, als je hem zo ziet op de buis. Maar ja, hij heeft het zelf gezegd en hij zal er niet om liegen.
J: Ja, je moet er natuurlijk wel een beetje een geoefend oog voor hebben, he. Maar we
hebben volop de gelegenheid om ons oog te oefenen. (Kijkt naar Eric en Robert die zijn opgekomen.) Kijk es effe!
S: Zou ’t een vriendenpaar wezen?
J: O ja, dat zijn beslist twee vaste vrienden.
S: Wie van de twee is volgens jou het mannetje?
J: Die linker natuurlijk.
S: Nou vind ik die rechter ook wel iets mannelijks hebben…
J: Nee, nee, die rechter is het wijfje. Te zien aan hoe die met z’n heupen werkte.
S: Nou, moet je die linker zien. Liegt er ook niet om.
J: Het zijn altijd van die lieve jongens, he. Ik heb altijd direct contact met homofielen, en jij?
S: Altijd meteen contact, ja. Geestelijk dan.
J: Oehoe, meneer? Wilt u misschien van mij een vuurtje?
Robert: Ja, graag.
J: Alstublieft.
R: Dank u wel.
Eric: Mogen wij de dames dan misschien wat aanbieden?
J: O, dolgezellig zeg, maar komt u dan bij ons aan ’t tafeltje zitten.
S: Ober!
J: Is het misschien mogelijk, dat ik u ergens van ken? Zit u bij het Nationaal Ballet?
E: Nee, niet dat ik weet.
S: Maar dan bent u zeker bij het Nederlands Dans Theater?
E: Nederlands Dans Theater. He, hoor je dat, Wim!
R: Nou John, jij zou anders meteen op kunnen als de stervende zwaan.
J: Neemt u mij niet kwalijk, maar wat hebt u een prachtige hand. Kijk es Ellen, wat een gevoelig exemplaar!
S: Ja, wat een magnifieke hand zeg.
E: En ik heb er nog zo een!
S: Meneer, bent u ook in de kunst?
E: Nee, in de kunst niet, maar ik ken wel een hele hoop kunstjes.
J: En ik denk zo, dat u daar ook wel aardig over kunt meepraten.
R: Ober! Waar blijft die vent?
J: Zeg meneer, weet u dat ik eens een keertje op die club van u ben geweest? Wat is het daar dolgezellig, zeg. Ik heb me reuze geamuseerd.
E: Ja, ik ben geen lid meer van die club, hoor.
J: O nee, ’t is toch anders een vereniging met prachtige doelstellingen. Vindt u ook niet?
R: Ja, dat wel. Er is geen speld tussen te krijgen.
E: Mijn vriend en ik zijn alleen maar lid geweest van de juniores.
J: De juniores…
(Leen komt op als ober, doet zeer nichterig.)
Leen: Goeiemiddag dames… en heren.
R: Nou, dat werd tijd.
L: Het spijt me meneer, maar in het hoogseizoen kennen we geen ijzer met handen breken, he. Nou, zegt u ’t maar mevrouw.
J: Een appelsap.
L: Een appelepap voor mevrouw.
S: Tomatensap.
L: Een jus de tomates. De heren wensten?
E: Een grote pils.
R: Een grote pils.
L: En twee grote voor de heren.
R: En een beetje vlug ober, want ik sterf van de dorst.
L: Nou meneer, dan bent u in elk geval een beeldschone dooie… Hoor mij nou!! (Gaat af.)
R: Nou, zo ruig als een kokosmat.
E: Als ik zo’n kerel zie, kan ik wel kotsen, he.
J: Meneer! Wat u daar zegt, dat vind ik schandelijk.
S: Ja, hoe durft u zoiets te zeggen! U moet uw hand maar es in uw eigen boezem steken.
R: Zo bedoelde John het niet, he John.
E: Zo bedoelde ik het helemaal niet. Als iemand zo nodig met een andere kerel wil
rommelen, moet-ie dat voor z’n eigen weten. Geef mij maar een lekker vrouwtje hoor.
R: Hier heb je d’r nog zo een.
J: Dit berust op een walgelijk misverstand. Kom, laten we gaan.
S: Ja, we moeten eens opstappen. Dag heren.
E: Zeg Wim, wie van die twee is volgens jou nou het mannetje?